|
Nieuwste boeken
De winter van de Belgica

Stilstaan 
Antigone's keuze

Natuur
De bende van de mol

Brand in de Tikkebossen
Tand om tand
Braam
De huilers
De zilverrug
Morgen dood ik een leeuw
Leven, liefde en dood
Stilstaan

Middernachtzonde

Ariadne

Jan zegt nooit wat
Kwikloks
Mythe en geschiedenis
Ariadne

De ogen van de tiran
Antigone's keuze

De winter van de Belgica

die Keure
Kameleonbieb 6
zesde leerjaar
Dian Fossey: Mama Gorilla
Arm en rijk
De grote ontgoocheling
Morgen dood ik een leeuw
Mayan en Mallerik
Verhalen
Blokbeest
Bye bye my summerlove
Verkeershinder
De toner
Hondsroos
Tropisch paars
De groene ridder
Drup, Drop en Drets
De kunstenmaker
Het pakhuis
Op safari in de stad
|
|
|
Op safari in de stad
© Willy Schuyesmans, 2000
Illustraties: STEN
Uitgegeven ter gelegendheid van een speelse tentoonstelling Beestige buren: dieren in de stad in het Museum voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Brussel.
1
'Stop nu maar met huilen en droog je tranen', zegt opa.
Ze stappen samen door de grote hal van de luchthaven. Sil veegt met zijn mouw over zijn gezicht.
'Ik was toch zo graag meegegaan naar Afrika', snikt hij. 'Ik wilde olifanten zien. En leeuwen.'
'Kom, kom', sust opa. 'Je weet toch dat papa er voor zijn werk naartoe moet. Je gunt het mama toch wel dat ze onverwacht mee kon? Over een weekje zijn ze terug.'
Sil knikt. Hij legt zijn hand in de grote warme hand van opa. Samen lopen ze naar de trein die hen naar de stad zal brengen. De trein staat er al. Ze gaan naast elkaar zitten. Sil zit aan het raampje.
'Ik zou zo graag ook eens op safari gaan', pruilt Sil stilletjes.
Opa glimlacht.
'Hou je zoveel van wilde dieren?' vraagt hij.
Sil knikt heftig.
'Ik ook', gaat opa verder. 'Ik zie er elke dag.'
Sil kijkt stomverbaasd op.
'Wilde dieren? Elke dag? Waar?'
Opa moet lachen om zijn plotse geestdrift.
'Natuurlijk', zegt hij. 'Wilde dieren zijn er overal. Daar hoef je heus niet voor naar Afrika. Je kunt ook in je eigen stad op safari gaan. Willen we dat deze week eens doen?'
'In de stad? Daar zitten toch geen dieren! Ik heb nog nooit een wild dier in de stad gezien', zegt Sil.
'Ik wel', zegt opa overtuigd. 'Elke dag nog wel.'
Schril klinkt het fluitje van de treinconducteur. De vouwdeuren klappen dicht en de trein vertrekt. Even zit Sil naar buiten te kijken. Stel je voor, denkt hij. Wilde dieren in de stad. Zie je al een neushoorn door het stadspark lopen? Of krokodillen zwemmen in de vijver? Of struisvogels in de winkelstraat? Sil moet erom lachen. Hij gelooft opa niet, maar hij vindt het wel leuk om erover te fantaseren.
Ze rijden langs de grote kerk. Op het plein gaat een klad duiven op de vleugels.
'He, je bedoelt toch geen duiven?' roept Sil teleurgesteld uit. 'Zijn dat soms je... wilde dieren?'
Opa kijkt op uit zijn krant.
'Natuurlijk', lacht hij. 'Duiven, mussen, meeuwen, eksters. Zoveel je maar wilt.'
'Opa!', zegt Sil ontgoocheld. 'Ik dacht dat je echte wilde dieren bedoelde.'
'Die zijn er ook: muizen, spinnen, regenwormen en... .'
Opa schatert het uit.
'Stop ermee', zegt Sil boos. 'Je lacht me uit. Dat vind ik niet grappig.'
'Ik lach je helemaal niet uit', antwoordt opa verontwaardigd. 'Maar je laat me niet uitspreken. Ik zei: spinnen, regenwormen en...'
Even stopt hij met zijn mond halfopen. Sil kijkt hem vragend aan.
'En...?' vraagt hij.
'En... vossen', zegt opa. 'Kijk maar. Ik lees het hier net in de krant: VOS RUKT OP NAAR DE STAD. Het vossenbestand in ons land breidt uit. Steeds vaker dringen vossen op zoek naar voedsel door tot in de steden. Daar is immers veel eetbaars te vinden. Zie je nu wel dat er wilde dieren in de stad wonen?'
'Tja', aarzelt Sil. 'Een vos is natuurlijk wel een echt wild dier. Maar die heb ik toch nog nooit gezien, hoor.'
'Ik ook niet', geeft opa meteen toe. 'Vossen zijn heel schuwe nachtdieren. Ze zullen zich dus wel niet laten zien. Maar je ziet dat er echt wel wilde dieren in de stad leven. Vooruit, we zijn er. Afstappen.' Opa en Sil haasten zich de trein af.
2
Vanaf het station is het maar een paar straten wandelen tot bij opa thuis. Het is al bijna donker. Opa zet meteen een pizza in de oven en even later zitten ze lekker te smullen.
'Buikje rond? Tijd om te gaan slapen!' zegt opa als Sil het laatste stukje tomaat in zijn mond heeft gestoken. 'Wat denk je van de zolderkamer?'
Sil knikt meteen enthousiast. De zolderkamer van opa is zijn lievelingskamer. Daar heeft hij al vaker gelogeerd. Opa heeft het bed al opgemaakt. Hij stopt Sil onder de wol en vertelt hem een verhaaltje over een slimme vos die op reis gaat naar de stad. Maar nog voor die daar aangekomen is, slaapt Sil. Opa staat voorzichtig op, draait het licht uit en trekt zachtjes de deur van de zolderkamer dicht.
Het is nog heel vroeg als Sil wakker wordt. Even is hij in de war. Hij herkent de kamer niet meteen. Is hij dan toch op safari? O, nee! Dit is de zolderkamer van opa.
Sil klimt uit het hoge ouderwetse bed en gaat op zijn blote voeten voor het dakraam staan. Het schemert buiten nog. Hij klimt op de stoel met zijn kleren erop die naast zijn bed staat en duwt het dakraam open. De lucht voelt koel en nat aan. Maar dat voelt Sil nauwelijks, want tegelijk begint het concert. Vogels zingen uit wel duizend kelen. Sil herkent meteen de merel die hij thuis ook wel eens hoort. Maar er zijn nog veel meer vogels. Sil kent hun geluiden niet en het is nog te donker om ze te zien.
Plots fladdert er iets raars vlak voorbij het dakvenster. Sil schrikt zelfs een beetje. Zo dichtbij is het. Eerst denkt Sil dat het een vogel is geweest, maar daar vliegt al een tweede voorbij. Nu ziet Sil duidelijk dat het geen vogel is. Het vliegt zo raar. Maar wat dan wel?
'Zo, heb je mijn vleermuizenkolonie al ontdekt?'
Opa heeft Sil gehoord en komt even kijken of alles in orde is. Sil lacht naar hem.
'Vleermuizen, zeg je! Zijn dat vleermuizen?'
'Inderdaad', zegt opa. 'Ze wonen hier vrijwel elke zomer onder het dak. Ik vermoed dat ze een plekje gevonden hebben in de spouwmuur.'
'Zijn ze niet... gevaarlijk?' vraagt Sil.
'Ben je gek', antwoordt opa. 'Ze ruimen heel wat insecten op. Van mij mogen ze blijven, hoor.'
'Ze vliegen toch soms in je haren', probeert Sil.
'In mijn haren zeker niet!' schatert opa terwijl hij over zijn kale schedel wrijft. 'Overigens is dat een fabeltje, hoor. Leuk om de meisjes mee bang te maken, maar verder slaat het nergens op. Ooit heb ik een gestrande vleermuis gevonden in de tuin. Zo'n mooi beestje, met zulke zachte pels. Ik heb hem in de lucht gegooid en hij vloog zo weer weg. Maar nu iets anders: heb je geen honger? Ik heb beneden al gedekt voor het ontbijt.'
Even later zitten ze beneden aan tafel. Hoewel het nog koel is, heeft opa de deur van het terras opengezet. Sil vindt het heerlijk. Een dikke hommel zoemt voor de deuropening en vliegt weer verder. In de eerste zonnestralen fladdert een vlinder rond. Opa springt overeind en rent naar buiten.
'Kijk nu', zegt hij. 'Die vlinder! Dat is een atalanta, een echte trekvlinder. Die trekt 's winters helemaal naar het zuiden. Ze noemen hem ook wel de nummervlinder.'
'Kan die dan tellen?' vraagt Sil die de tuin is ingelopen om het diertje te zien.
'Dat zou ik echt niet weten', lacht opa.
'Ik ook niet', zegt Sil. 'Ik weet niks van wilde dieren in de stad!'
Schaterend loopt hij door de tuin.
3
'Loop je even mee naar het tuinhuisje, Sil? Ik moet de vuilniszak nog aan de deur zetten.'
'Ja, mag ik helpen?' vraagt Sil.
'Je moét helpen', lacht opa. 'Alleen kan ik die zak niet tillen!'
Sil trippelt langs het tuinpad achter opa aan.
'He, opa,' roept hij plots, 'iemand heeft een bergje aarde op het gras gegooid!'
'Weet ik', zegt opa. 'Een mol heeft dat gedaan. Nog zo'n wild dier in de stad!'
Sil grinnikt. Dat wordt nog een echte safari.
'Kan ik hem zien?' vraagt hij.
'Heel moeilijk. Als wij hier lopen, trilt de grond en dat voelt hij zeer goed. Dan houdt de mol zich natuurlijk gedeisd. Misschien als je heel lang, heel stil op je buik in het gras gaat liggen. Maar daar hebben we nu geen tijd voor. Ik wil straks nog met je gaan wandelen. En nu eerst nog naar het tuinhuisje. Haast je wat.'
Sil wil zich wel haasten. Maar het lukt niet. Er is zoveel te zien in de tuin van opa. Eerst ziet hij een koolmees door het gaatje van een nestkastje naar binnen vliegen. Opa heeft het kastje aan een boom gehangen.
'Die broeden hier elk jaar', zegt opa. 'Het vrouwtje zit nu op de eitjes. Wil je ze zien? Als je heel voorzichtig bent, mag het wel even. Koolmezen zijn niet zo schuw. Maar niet meer dan één keer per dag, hoor. Anders laten ze misschien hun nestje in de steek.'
Opa tilt Sil op en schuift het deksel van het nestkastje opzij. Het geel en zwarte vrouwtje draait een beetje ongemakkelijk rond in het nestje. Ze had dit bezoek niet verwacht. Maar opa schuift het dekseltje alweer dicht.
'Gedaan voor vandaag. Morgen mag je nog eens kijken. Misschien zijn aan het einde van de week de eerste eitjes al uitgekomen.'
Tegen een oude bakstenen muur ligt hout opgestapeld. Sil wil er meteen bovenop klimmen.
'He, niet doen', roept opa nog. 'Ik denk dat er een winterkoninkje in broedt. Heb je zijn lied nog niet gehoord? Het roffelt en trilt en het klinkt alsof het van een heel grote vogel komt. Maar de winterkoning is niet groter dan een pingpongballetje. Met dan wel met een gek, rechtopstaand staartje. Je ziet hem vast nog deze week. Kijk nu maar eens hier.'
Opa buigt zich moeizaam voorover vlakbij de oude muur.
'Die muur leeft', zegt opa geheimzinnig.
'Stenen die leven? Dat kan toch niet!' antwoordt Sil ongelovig.
'Die muur zit vol leven. Dat bedoel ik', gaat opa verder. 'Kijk! Hier zit een hooiwagen te zonnen. Overdag heeft hij een luilekkerleventje, maar 's nachts jaagt hij op insecten. En daar een harlekijnspinnetje. Die bespringt zijn prooi zoals een kat. Soms zit ik hier in mijn tuinstoel naar hem te kijken.'
'O, een lieveheersbeestje!' gilt Sil.
'Juist', knikt opa. 'Die woont in de spleten van de muur. Eten doet hij op de bladeren van de bomen. Hij lust vooral bladluizen, weet je.'
'Kijk daar! Allemaal hele kleine rode diertjes. Ze rennen heen en weer!'
Sil is door het dolle heen.
'Geluk', roept opa. 'Dat zijn geluksspinnetjes. Als je ze ziet, mag je een wens doen. Hun echte naam is rode fluweelmijt. Geen spinnen dus. Maar het zijn wel rovertjes, hoor.'
Eindelijk komen opa en Sil bij het tuinhuisje aan. Opa doet de deur open en wijst een piepklein vuilniszakje aan.
'Is dat alles?' vraagt Sil.
'Precies', zegt opa.
'Kun jij dat niet tillen?' roept Sil verbaasd uit.
'Nee', zegt opa. 'Jij wel?'
Sil knikt heftig, houdt de vuilniszak stevig voor zijn borst en stapt ermee tot bij de voordeur. Opa kijkt hem lachend na.
4
De zon staat al hoog aan de hemel als opa en Sil hand in hand het stadspark binnenwandelen. Het is midden in de week en dan is er niet zoveel volk.
'Goed dat het zo rustig is', zegt opa. 'Dan zien we veel meer dieren.'
'Voor onze safari', vult Sil aan.
'Zo is dat', bevestigt opa en meteen stappen ze op een grote eik toe die midden in het park staat.
'Ken je die boom?' vraagt opa.
'Een eik?' vraagt Sil.
'Precies', gaat opa verder. Hij bukt zich en raapt een paar eikels op. In een daarvan zit een gaatje.
'Voel eens hoe licht deze eikel weegt. Die is vanbinnen helemaal leeggevreten door de larve van een snuitkevertje. Zijn moeder heeft een eitje in de eikel gelegd. Toen het larfje uitkwam, had het meteen eten genoeg. Dan is de eikel gevallen en kroop de volgroeide larve in de grond. Daar verandert hij in een volwassen snuitkevertje.'
Sil glundert. Hij vindt het heerlijk dat opa zoveel verhaaltjes kent uit de natuur.
Opa heeft er ook zin in gekregen en hij weet van geen ophouden meer. Hij vertelt Sil hoeveel dieren er wel op één eik kunnen leven. Met zijn zakmes snijdt hij een eikengalletje open dat vastzit op een blad. Midden in het appeltje zit een wormpje, de larve van een galwesp.
Een ander blad is helemaal opgerold tot een kokertje. Opa wijst Sil hoe er binnen in het kokertje een rupsje zit dat zelf het blad heeft opgerold. Als Sil het kokertje aanraakt, laat het rupsje zich vliegenvlug zakken aan een zelf gesponnen draad. Ze moeten er allebei om lachen.
Samen ontdekken ze nog een heleboel dieren die allemaal in die ene boom wonen. Pimpelmezen buitelen kopje aan de dunne twijgjes. Een kleurige boomklever loopt op en neer langs de stam terwijl een roodborstje zijn vrolijk liedje zingt. Met een hand boven hun ogen speuren opa en Sil hoog aan de stam naar het gat van een specht. De specht zelf krijgen ze niet te zien.
'Kijk daar: een pluimstaart!', roept Sil.
Terwijl ze samen doodstil naar boven staren, is een eekhoorn dichterbij gekomen. Het beestje schrikt zo hard van Sils kreet dat hij op de stam van de eik springt en vliegensvlug naar boven klautert.
Opa heeft boterhammen meegebracht. Die gaan ze opeten aan de vijver. Hij heeft ook een zakje met gebroken maïs bij. Sil mag dat aan de wilde eenden voeren die in bonte kleuren over het water glijden in het gezelschap van meerkoeten en waterhoentjes. Plots komen twee grote zwanen overgevlogen, luid klappend met hun vleugels. Sil schrikt ervan. Hij loopt naar opa om het te vertellen.
Maar opa zit niet meer alleen op de bank. Hij slaat een praatje met zijn vriend Jacob die hier net voorbijwandelde. Jacob vertelt over het huis naast de spoorweg dat hij net verbouwd heeft. Een hele berg puin heeft dat opgeleverd en die moet naar het stort. Zou opa hem daar niet bij willen helpen? Ze spreken af voor overmorgen.
'Dan stap ik maar eens op', zegt Jacob. Maar hij stapt helemaal niet op. Hij bedenkt zich en begint een verhaal te vertellen over de vuilniszak die hij gisteravond heeft buitengezet.
'Zal ik je wat vertellen?' zegt Jacob. 'Toen ik vanmorgen buiten kwam, was die zak helemaal stukgebeten. Vast een of andere hond die daar nog wat eetbaars in gevonden heeft.'
'Als het maar geen vos is geweest', komt Sil er plots tussen.
'Een vos? Midden in de stad? Nee toch!' zegt Jacob.
'Je weet maar nooit', antwoordt opa en hij knipoogt naar Sil.
5
De volgende morgen heeft opa een verrassing voor Sil. Hij haalt zijn bromfiets uit het schuurtje en doet heel geheimzinnig.
'Waar gaan we naartoe, opa?' vraagt Sil.
'Dat zul je wel zien', lacht opa. 'Kleed je maar warm aan!'
Sil knoopt zijn jas dicht en draait een dikke sjaal rond zijn hals. Dan helpt opa hem achter op de bromfiets. Zelf stapt hij voorop en draait met een flinke duw de motor op gang. Even later rijden ze door drukke straten met veel auto's en trams.
Eindelijk stopt opa op een plein. Hij stalt zijn bromfiets naast een fietsenrek en maakt hem vast met een zware ketting.
'Mag ik de duiven voederen?' vraagt Sil.
'Dat kun je beter niet doen, Sil', antwoordt opa. 'Er zijn er nu al te veel. Ze maken alle standbeelden en mooie gebouwen vuil met hun uitwerpselen. Bovendien brengen ze ziekten over. Weet je dat ze allemaal afstammen van de rotsduif, een echte wilde duif? Sommige lijken er nog sprekend op met die twee zwarte strepen op hun vleugels. O, kijk, daar heb je een koppeltje Turkse tortels. Die zien er heel anders uit in hun roze pakje, zie je.'
'O, daar hoog in de lucht cirkelen ankertjes', roept Sil.
Opa tuurt omhoog. Hij ziet ze nu ook.
'Dat is een mooie naam die jij ze geeft: ankertjes. Daar lijken ze wel wat op, die gierzwaluwen. Wist je dat ze haast nooit aan de grond komen? Hoor je ze gieren? Je hoort ze zelfs boven het lawaai van de auto's uit. Eigenlijk zijn het rotsvogels die van steile klippen houden. Maar de gebouwen in de stad vinden ze even goed.'
'Eèèk, opa, er kruipt een beest op mijn been!' krijt Sil en hij slaat het beestje eraf.
'Ja, dat komt ervan als je zo lang stilstaat', lacht opa. 'Dan kruipen de zwarte wegmieren omhoog langs je been. Zullen we ze volgen?'
Ze lopen achter de rij mieren aan die tussen de straatstenen kruipen in de richting van het plantsoentje. Daar klimmen ze allemaal achter elkaar langs de stam van een struikje omhoog tot op de bladeren.
'Nu moet je goed kijken', zegt opa. 'Onze mieren melken de bladluizen. Die maken een zoet papje, honingdauw heet dat, en daar zijn de mieren dol op.'
Op het torentje aan de overkant van het plein slaat een klokje.
'Hemeltje,' zegt opa, 'is het al zo laat! Straks zijn we nog te laat voor onze verrassing.'
Hij grijpt Sil bij de hand en zo snel ze kunnen, lopen ze bergop langs een smal straatje. Het is gelukkig niet ver. Even later staan ze voor een heel groot gebouw met een reusachtige dinosaurus voor de ingang.
'He!' zegt Sil. 'Leeft die ook al in de stad?'
'Nee, hoor', lacht opa. 'Die maakt reclame voor het museum.'
'Gaan we naar het museum?' wil Sil weten.
'Precies', zegt opa trots. 'Dat is de verrassing. In dit museum loopt een tentoonstelling over dieren in de stad. En die moet jij gezien hebben, vind ik.'
Twee uur lang kijkt Sil zijn ogen uit naar de vele dieren die in de stad leven. Hij ziet er ook dieren die er nu niet meer leven zoals het hert, het everzwijn, de das, de beer en de wolf.
'En de vos?' vraagt Sil aan een gids.
'Die leeft nog wel in de stad, hoor', verzekert ze. 'Vooral 's nachts komen vossen de stad binnen langs spoorwegbermen of groene zones. Kijk maar naar de affiche van onze tentoonstelling. Die vos hebben wij hier vlakbij het museum gefotografeerd terwijl hij net bezig was een vuilniszak open te scheuren.'
Sil grinnikt en lacht naar opa.
'Dat zou Jacob moeten weten!' zegt hij.
6
'Sil, kom naar binnen! Wat lig je daar buiten op je buik in het gras te doen?'
Sil klautert langzaam recht en slentert naar binnen.
'Ik wilde de mol zien', zegt hij. 'Ik lag doodstil in het gras op hem te wachten. Maar er gebeurt niets.'
'Dan moet je later nog maar eens proberen', zegt opa. 'Nu moet je snel je vuilste kleren aantrekken. We moeten Jacob helpen puin ruimen.'
Dat hoeft opa geen twee keer te zeggen. Nauwelijks vijf minuten later is Sil klaar. Opa heeft intussen de bromfiets al buitengereden.
Jacob woont niet ver van het station. Hij staat hen al op te wachten en wuift als hij opa om de hoek ziet draaien.
'Hemel, wat een troep!' zegt Sil als hij de vele zakken met puin ziet staan.
'Daar zijn we nog even zoet mee', knikt Jacob. Hij heeft een open bestelwagen gehuurd en samen laden ze die vol puin. De wagen kraakt van het gewicht.
Even later zitten ze met zijn drieën voorin. Jacob zit aan het stuur en rijdt heel voorzichtig de straat uit. Een kwartiertje later komen ze aan bij het stort aan de rand van de stad. Een wachter controleert de lading en wijst Jacob een plek waar hij het puin mag lossen. Dat gaat gelukkig sneller dan het inladen. Een half uur later zijn ze klaar. De drie mannen gaan even zitten uitblazen in de laadbak.
Een eind verderop - boven een berg keukenafval - vliegen wel duizend witte vogels. Sil merkt ze als eerste op.
'Dat zijn meeuwen', zegt opa en hij legt meteen uit aan Jacob dat ze met hun beidjes op zoek zijn naar wilde dieren die in de stad leven.
'Toen ik klein was,' vertelt Jacob, 'zag je meeuwen alleen maar aan zee. Maar dat is de laatste jaren fel veranderd.'
'Klopt', zegt opa. 'Kokmeeuwen - dat zijn die met hun zwarte kopjes - zijn echte landvogels geworden. Je vindt ze tegenwoordig overal waar mensen voedselresten weggooien. Ze leven in grote kolonies en hangen hele dagen boven het stort rond.'
'Kijk', roept Sil die zijn ogen niet van de meeuwen kan afhouden. 'Daar is er een met een witte kop en grijze vleugels.'
'Zilvermeeuw', zegt Jacob. 'Ken ik. Ik heb vroeger met mijn vrouw nog aan zee gewoond. Vaak wandelden we langs de dijk en dan voerden we de zilvermeeuwen friet met mayonaise. Ze pikten ze gewoon uit je hand. Maar dan is Lisa gestorven en ben ik in de stad komen wonen. Ik heb nooit gedacht dat ik hier ook nog zilvermeeuwen zou zien.'
Alledrie zitten ze stilletjes voor zich uit te kijken, elk bezig met zijn eigen gedachten. Tot er, luid kijvend, een vlucht kauwtjes over vliegt.
'Tijd om op te stappen', zegt Jacob.
Ze klimmen op de banken van de auto. Jacob start de motor en rijdt langzaam en hevig schommelend over de putten in de weg die langs het stortterrein voert.
Plots schiet een schichtig beest dwars over de weg, vlak voor de wielen van de auto.
'Daar! Een... een...'
'...een rat', weet Jacob met zijn voet op de rem.
'Een rat?' vraagt Sil.
'Die ken ik, hoor', gaat Jacob verder. 'Onder de grond zag ik ze haast elke dag.'
'Onder de grond?'
'Ja, Sil,' legt opa uit, 'Jacob heeft tot aan zijn pensioen in de stadsriolen gewerkt. Die zijn zo breed dat je er met een bootje doorheen kunt varen. Jacob zag haast nooit de zon.'
'Maar wel ratten!' zegt Jacob trots. 'Als je wilt, en als je mag van je opa, neem ik je wel eens mee in mijn ondergrondse bootje.'
Sil wil wel. Vragend kijkt hij naar opa.
'Dat is dan afgesproken, Jacob,' zegt die.
7
'Vandaag gaan we naar het bos', zegt opa.
Dat vindt Sil een reuze idee. Hij houdt van bossen. Even later zit hij achter op de bromfiets en houdt met beide handen opa vast om zijn middel. Lekker is dat.
Eerst rijden ze door drukke straten, dan een eindje tussen een spoorwegberm en een groot stuk braakland dat weelderig begroeid is met gras en struikjes.
'Zie je dat', roept opa tegen de wind in. 'Zo'n braakland wordt op den duur echt wel mooi. De natuur kan er haar gang gaan.'
Sil knikt tegen opa's rug aan.
Ze rijden nog door een buitenwijk met grote tuinen en blaffende honden. Eindelijk bereiken ze het bos.
Opa parkeert zijn bromfiets aan de ingang. Samen lezen ze op een groot bord dat ze welkom zijn en wat allemaal mag en niet mag. Er zijn ook bewegwijzerde wandelingen.
'Laten we de rode paaltjes volgen', zegt Sil. 'Dat is de grootste wandeling. En dan lopen we niet verloren.'
Voor opa is het allemaal prima. Al gauw zijn ze helemaal omringd door beuken en eiken. Op de grond groeien nu eens varens, dan weer struiken. Overal zingen vogels.
'Herken je die?' vraagt opa als ze een luid lied vol trillers horen.
Sil moet even nadenken.
'Die met zijn gek staartje?' vraagt hij.
'Precies', zegt opa. 'Dat is de winterkoning. Die zit ook in mijn tuin. Leuk, he.'
Verderop ligt een omgevallen boomstam naast de weg.
'Die ligt hier vast al lang', zegt Sil. 'Hij is helemaal rot en overgroeid.'
'Dat is juist interessant', zegt opa. 'Kijk maar.'
Hij trekt een loszittend stuk schors van de boom. Meteen wemelt het van verschrikte pissebedden, allerhande loopkevertjes en keverlarven.
'Hier kruipt een slakje!' zegt Sil, die het voorzichtig oppakt om het te bekijken. Dan zet hij het nog voorzichtiger terug. Glunderend kijkt hij op.
'Nu zijn we toch echt op safari', zegt hij.
'Heb ik je toch beloofd', lacht opa.
De hele dag wandelen ze door het bos. Opa heeft broodjes meegebracht en limonade. Aan een picknicktafel onder een oude eik eten ze die op. Plots landt een reuzegrote kever bovenop het broodje van Sil. Die schrikt zich rot.
'Opa! Een beest! Een gevaarlijk beest', krijst hij.
'Niks gevaarlijk, Sil', zegt opa rustig. Hij pakt de kever van het broodje en toont hem het spartelende diertje.
'We hebben wel erg veel geluk vandaag', gaat opa verder. 'Dit is een vliegend hert. Zie je zijn gewei? Een heel zeldzame kever, weet je. Af en toe zie je hem nog een keer, zoals vandaag. Kom, hou je hand open.'
Sil steekt aarzelend zijn arm uit. Opa zet de kever op zijn hand. Heel even loopt het diertje rondjes. Dan zet het zijn dekschilden open en frrrrrt... het vliegt weg en verdwijnt tussen de bomen. Sil kijkt hem na met open mond.
Maar het mooiste moment van de dag moet nog komen. Ze zijn al op de terugweg en lopen een hele tijd naast elkaar zonder een woord te spreken. Opeens, geen dertig meter voor hen, steken twee reeën het pad over. Nieuwsgierig blijven ze staan, midden op het pad, en kijken naar Sil en opa. Sil kan geen woord uitbrengen. Hij voelt hoe opa zijn hand op zijn schouder legt. Doodstil kijken ze naar elkaar. Hoe lang ze daar zo staan, weet Sil niet. Een paar seconden? Het lijkt wel een eeuwigheid. Dan, alsof iemand een teken geeft, springen beide reeën verschrikt weer het bos in. Sil draait zich verwonderd om en geeft opa een klapzoen.
8
Eindelijk is de dag aangebroken voor het afspraakje met Jacob. Sil is het niet vergeten. De hele voormiddag heeft hij in de tuin van opa doorgebracht, kijkend naar de vogels en de insecten. Hij heeft ook weer een tijdje naast de molshoop gelegen, maar toen er een half uur lang niets gebeurde, was zijn geduld op. Wel tien keer is hij naar binnen gelopen om aan opa te vragen of het al tijd was om naar Jacob te vertrekken.
'Nog veel te vroeg!' had opa hem telkens geplaagd.
Maar nu, na het middageten, is het eindelijk zo ver. Met de tram sporen ze naar de stad. Jacob heeft aan opa een adres opgegeven in de oude stad. Ze moeten wel een beetje zoeken, want die buurt kent opa niet zo goed. Ten slotte vinden ze het doodlopende straatje toch en daar staat Jacob hen op te wachten.
'Zo, goedemiddag allebei', zegt Jacob. 'Ben je klaar voor een ondergronds tochtje?'
Sil knikt. Hij heeft onder zijn jas een dikke trui aangetrokken. Misschien is het wel erg koud onder de grond.
'Niet te koud en niet te warm', antwoordt Jacob als opa naar de temperatuur vraagt. 'Eigenlijk is het in de riolen zowat het hele jaar door even warm.'
Jacob haalt een speciale sleutel uit zijn zak en opent daarmee een deur die tussen twee huizen toegang geeft tot een smalle gang met een trap naar beneden.
'Oppassen dat je niet uitglijdt', waarschuwt Jacob.
Zelf gaat hij voorop. Sil en opa volgen voetje voor voetje. Jacob heeft een sterke zaklamp bij zich waarmee hij de treden van de trap verlicht. Beneden geeft de trap uit op een soort smalle kade waaraan twee bootjes liggen.
'Het lijkt wel een onderaardse rivier', zegt Sil die zijn ogen niet kon geloven.
'Dat is het ook een beetje', antwoordt Jacob. 'Kom, stap maar in.'
Hij helpt opa en Sil in het bootje stappen. Dan neemt hij een lange stok die in de boot ligt, maakt het touw los en duwt de boot vooruit.
'Licht jij maar bij', zegt Jacob tegen Sil en geeft hem zijn zaklamp. Sil is apetrots en schijnt op de muren.
Opa verwondert zich erover dat de riolen zo groot zijn. Dat had hij nooit gedacht.
'Lopen die zo onder de hele stad door', vraagt hij aan Jacob. Die knikt.
'Onder vrijwel elke straat loopt zo'n riool', zegt hij. 'Kijk maar, daar hangt een straatnaambordje. Je kunt zo het stratenplan volgen onder de grond.'
'Leven hier nog dieren, zo helemaal in het donker?' vraagt Sil.
'Zeker', zegt Jacob. 'Schijn maar eens met je lamp op de muren. Het zit daar vol met allerhande spinnetjes die het hier best naar hun zin hebben. Natuurlijk zitten er ook pissebedden en zelfs kakkerlakken. Een tijd geleden heb ik hier eens rondgevaren met een geleerde meneer die op zoek was naar een bepaald vlokreeftje. Hij heeft het beestje nog gevonden ook. Eenzelfde soort die ook bovengronds voorkomt. Alleen de kleur verschilt. Bovengronds is het zwart en hier in de riolen spierwit. Vreemd, he.'
Sil speurt met zijn zaklamp naar witte vlokreeftjes, maar hij vindt niets.
'Ik heb wel eens gelezen dat er soms krokodillen in de riolen leven', zegt opa.
'Ja', lacht Jacob. 'In Amerika zou dat eens gebeurd zijn. Mensen die een kleine krokodil in huis halen, maar als het beestje te groot wordt, spoelen ze het door het toilet. Hier heb ik in elk geval nog nooit een krokodil gezien hoor.'
'Daar! Een rat!' roept Sil plots.
Met zijn zaklamp volgt hij een bruine rat die schichtig wegrent over de boordsteen die de riool aan weerszijden afboordt.
'Een rioolrat', zegt Jacob. 'Ja, die woont hier ook.'
9
Het is al avond als Jacob het bootje weer vastmaakt. Sil en opa klauteren aan wal en even later staan ze weer op straat. De buitenlucht doet hen deugd. Het schemert al een beetje.
'Mag ik je nog uitnodigen voor een etentje?' vraagt opa.
Dat laat Jacob zich geen twee keer zeggen. Ze gaan naar een gezellig restaurantje in de buurt waar Jacob wel eens vaker komt. Opa en Jacob bestellen de dagschotel. Sil eet spaghetti met een cola erbij. Hij is nog helemaal onder de indruk van zijn ondergrondse reis.
'En, wil je later ook rioolman worden?' vraagt Jacob nieuwsgierig.
'Misschien wel', zegt Sil.
Als ze gegeten hebben, bedankt opa Jacob voor de prachtige namiddag. Even later stapt hij hand in hand met Sil door de stad. Het is nu al helemaal donker.
'Willen we te voet gaan?' vraagt opa. 'Of wacht je liever op de tram?'
Sil wil best te voet. Ten slotte heeft hij de hele namiddag gezeten. Leuk dat hij nu zijn benen kan strekken. Hij vindt lopen best gezellig.
Samen lopen ze door de bochtige straatjes. Rond de straatlantaarns vliegen nachtvlinders in zinloze cirkels.
'Ze denken dat die lamp de maan is', zegt Sil.
'Precies', antwoordt opa. 'Ze raken er helemaal van in de war. Ze zijn nu een makkelijke prooi voor vleermuizen. Die hebben gauw door dat nachtvlinders altijd in dezelfde buurt rondfladderen.'
Eenmaal voorbij het station wandelen ze door de buitenwijken. Af en toe fladdert een vleermuisje over hun hoofden heen. Muggen zoemen in de zwoele avondlucht. Op de kerktoren slaat de klok tien uur.
Opeens doemt een witte gedaante vlak voor hen op uit het duister. Een flits! En het is weeral voorbij. Sil is hevig geschrokken en hij knijpt met zijn twee handen in de arm van opa.
'Wat dacht je, Sil? Dat we een spook gezien hebben?'
'Ik weet het niet', zegt hij beduusd.
'Het was geen spook, hoor', sust opa. 'Het was een kerkuil.' Hier aan de rand van de stad zie je hem de laatste jaren wel eens meer. Vaak huizen ze in klokkentorens. Kom, hier moeten we linksaf.'
Ze lopen langs de spoorwegberm in de richting van het huis van opa. Opeens hoort Sil een geritsel in het gras. Opa hoort het ook. Op enkele meters van hen verwijderd kruipt een dier door het gras. Dan wordt het plots doodstil.
'Hier moet het zitten', zegt Sil. Hij tast met zijn hand in het gras.
'Auww! Dat prikt.'
Opa is met twee passen bij hem. Hij strijkt een lucifer aan. In het zwakke licht zien ze een egeltje liggen, opgerold tot een bolletje vol stekels.
'Die kun je maar beter gerust laten', zegt opa. Die laat zich niet verschalken, hoor!'
Sil wil het liever ook niet meer proberen. Ze stappen verder.
'We zijn er bijna', zegt opa een kwartiertje later. Dan draait er een auto uit een zijstraat. Zijn zwaaiende koplichten verlichten één seconde lang de spoorwegberm. Maar zowel Sil als opa hebben de oplichtende ogen gezien van de vos. Het rosse dier staat stokstijf op de berm, de oren gespitst, de poten schrap voor zich uit. Uit zijn bek hangen de flarden van een plastic vuilniszak. Dan is het weer donker. Tegen de oplichtende hemel zien ze nog net zijn silhouet als de vos over de sporen naar de andere kant loopt, wuivend met zijn brede pluimstaart.
'Een vos! Een echte vos!' stamelt Sil. 'We hebben een vos gezien!'
Een kwartier later ligt Sil op de zolderkamer van opa onder wol. Hij kan de slaap maar niet vatten. Een vos! Stel je voor! Een vos in de stad. Wat heeft hij veel te vertellen als mama en papa morgen terugkeren.
10
'Gelukt!'
Sil stormt de keuken binnen vanuit de tuin. Opa, die het ontbijt klaarmaakt, laat van het schrikken bijna een kopje vallen.
'Ik heb hem gezien! Ik heb hem gezien!'
'Wie heb je gezien?'
'De mol', juicht Sil. 'Ik heb de mol gezien. Ik lag doodstil te kijken bij een klein, vers molshoopje. Ineens begon dat hoopje te bewegen en te groeien. En toen stak de mol zelf zijn kopje boven. Ik lag er vlakbij!'
'Dan heeft die mol geluk gehad dat hij blind is', lacht opa. 'Dat arme diertje zou nogal geschrokken zijn als hij je zag. Kom nu gauw ontbijten. We moeten straks nog inpakken, hoor.'
Sil schuift meteen aan tafel en neemt een boterham.
'Zitten mama en papa nu al op het vliegtuig?' vraagt hij met een volle mond.
'Ja, hoor', antwoordt opa. 'Sinds gisteravond al. Tegen de middag landen ze.'
Na het ontbijt pakt Sil zijn spulletjes in zijn tas en daarna vertrekt hij met opa naar het station. Daar nemen ze de trein naar de luchthaven.
Ze zijn nog wat te vroeg. Eerst lopen ze wat rond en kijken naar de winkeltjes. Dan vindt Sil een plekje aan het raam vanwaar ze de vliegtuigen zien opstijgen en landen. Maar hij ziet niet alleen vliegtuigen vliegen. Een buizerd cirkelt hoog boven de gebouwen. En nog een. Sil drukt zijn wang tegen het dikke glas en tracht de buizerds zo lang mogelijk te volgen. Als ze verdwenen zijn, gaat hij weer naast opa zitten.
'Moet je niet naar de vliegtuigen kijken?' vraagt opa.
'Ik kijk liever naar de vogels', zegt Sil.
Een tijd lang blijft hij stil voor zich uit kijken. Dan zegt hij:
'Toffe safari gehad, vind je ook niet, opa?'
Opa kijkt hem aan en lacht.
'Ja, Sil. Toffe safari gehad. En we zijn niet eens de stad uit geweest.'
Sil knikt.
Op hetzelfde moment landt het vliegtuig met mama en papa. Opa ziet het vluchtnummer op het scherm met de aankomsten verschijnen.
'Kom, Sil', zegt hij. 'Tijd om naar de aankomsthal te gaan.'
Het duurt nog een hele tijd voor mama en papa in de schuifdeuren verschijnen. Als Sil ze ziet, is hij niet langer te houden. Hij rent op mama af, springt in haar armen en geeft haar een klinkende zoen. Mama knuffelt hem en papa wrijft over zijn bol.
'Dag Sil, hoe heb je het gehad?' vraagt papa.
'Heerlijk,' zegt Sil. 'We zijn op safari geweest en ik heb een vos gezien en een mol en een ree en een vliegend hert en vleermuizen en een egel en een winterkoning en snuitkevertjes en koolmezen en een rat en zeemeeuwen en...'
'Hoho, stop', roept mama. ' Ik kan niet meer volgen.'
'Dat moet je ons straks allemaal vertellen, jongen', zegt papa. 'En hoe is het met opa? Is Sil braaf geweest?'
'Veel te braaf', zegt opa. 'We hebben een heerlijk weekje samen gehad. En hoe was jullie safari eigenlijk?'
Papa kijkt naar mama en zij weer naar hem.
'Een fikse tegenvaller', zegt papa. 'Ik had zoveel werk ginder dat er maar één dag safari meer overbleef.'
'En uitgerekend dan hebben we pech gehad met de auto', vult mama aan.
'Alles bij elkaar hebben we welgeteld één giraffe gezien en een kleine kudde zebra's', zegt papa.
'Is dat alles?' vraagt Sil ongelovig?
'Dat is alles, jongen', zegt mama.
'Arme mama! Arme papa!', zegt Sil. 'Maar je moet niet triest zijn, hoor. Ik toon jullie morgen alle dieren die in de stad leven. En opa gaat mee!'
'Op safari!' zegt opa.
'Op safari!' zegt Sil. 'Op safari in de stad!'
'Lieve Sil', zegt mama. 'Kom hier!'
En ze knuffelt hem tot hij bijna geen adem meer heeft.
|
|
|
Bekroond
|
|