Nieuwste boeken

De winter van de Belgica 
Stilstaan 
Antigone's keuze 

Natuur

De bende van de mol 
Brand in de Tikkebossen
Tand om tand
Braam
De huilers
De zilverrug
Morgen dood ik een leeuw

Leven, liefde en dood

Stilstaan 
Middernachtzonde 
Ariadne 
Jan zegt nooit wat
Kwikloks

Mythe en geschiedenis

Ariadne 
De ogen van de tiran
Antigone's keuze 
De winter van de Belgica 

Verhalen

Blokbeest
Bye bye my summerlove
Verkeershinder
De toner
Hondsroos
Tropisch paars
De groene ridder
Drup, Drop en Drets
De kunstenmaker
Het pakhuis
Op safari in de stad



De kunstenmaker


© Willy Schuyesmans, 1997
Illustraties: Anne Westerduin
Geschreven in opdracht van Villa Kakelbont in het kader van de Jeugdboekenweek 1997.

De kunstenmaker - Willy Schuyesmans en Anne Westerduin'Stom.'
Sander pruilt en kijkt nors.
Miep haalt haar schouders op.
'Jij zegt alleen maar 'stom'. Dat helpt ons niets vooruit!'
'Dat vind ik ook', zegt Joris. 'We moeten voortmaken. We hebben nog maar even de tijd.'
'Kunst, kunst, kunst', moppert Sander. 'Is dat nu een opdracht? Wat is kunst? Hoe moeten wij dat nu weten?'
Hij kijkt boos voor zich uit. Buiten schijnt de zon. Hij zou wat liever een partijtje voetbal spelen dan hier zijn hoofd te zitten breken over een schoolproject.
'Ik wed dat ze het zelf niet weet', bromt hij. 'Daarom vraagt ze het aan ons!'
'Denk je dat?' lacht Miep. 'Dat is toch wel slim van haar. Ze laat ons in groepjes uitvinden wat kunst is en als volgende week de burgemeester komt, kan zij het hem vertellen.'
'Wedden dat ze hem zegt dat ze het zelf gevonden heeft?' proest Joris.
'Nog zoiets. De burgemeester! Die heeft bij ons op school toch niets verloren.'
Sander mokt. Hij trapt tegen de poot van de tafel.
'Sander!'
Miep schudt haar hoofd van links naar rechts.
'Zo komen we er nooit.'
'Ja', zegt Joris. 'Laten we eraan verder werken. Dan kunnen we vanmiddag gaan zwemmen.'
Sander trekt een wenkbrauw omhoog en kijkt hen aan.
'Wil ik jullie eens vertellen wat kunst is?' zegt hij.
Zijn stem klinkt alsof hij echt weet.
'Kijk!'
Hij springt op van zijn stoel, neemt twee passen aanloop en zet zijn handen op de grond. Met een sierlijke zwaai gooit hij zijn benen in de lucht en wandelt op zijn handen drie, vier passen ver. Sander is altijd al een goede turner geweest. Dan komt hij weer even vlot op zijn voeten terecht en kijkt Miep en Joris brutaal aan.
'Dat is kunst!' zegt hij kordaat.
'Dat zijn kunstjes', antwoordt Miep snel. Ze kijkt opzij en wuift het voorstel van Sander weg met de rug van haar hand.
'Weet jij het misschien beter?' roept Sander boos. 'Zeg het dan zelf als je het beter weet.'
'Natuurlijk weet ik het beter', zegt Miep. 'Mijn vader maakt toch kunstwerken.'
'Echt waar?'
Sander en Joris kijken haar verbaasd aan.
'Staan die in een museum?'
'Nee', lacht Miep. 'Die staan op straat.'
'Op straat?'
'Ja', zegt Miep beslist. 'Er staat er een op de autoweg. Mijn vader is ingenieur. Hij heeft daar een brug gebouwd. Dat is een kunstwerk, zegt hij.'
'Ingenieurs maken geen kunst', zegt Joris. 'Daarbij, kunst moet in een museum staan. Ik heb nog nooit een brug gezien in een museum. Daar is niet eens genoeg plaats voor.'
'Ben jij dan al in een museum geweest?' vraagt Sander.
'Ja', antwoordt Joris. 'Mijn mama neemt me wel eens mee naar een museum.'
'Maar dan weet jij toch wat kunst is!'
Joris haalt zijn schouders op. Zo zeker is hij nu ook weer niet.
'Dan gaan we toch gewoon kijken', zegt Miep. 'Weet jij de weg?'
Joris weet de weg.


Miep, Sander en Joris lopen door het park naar het museum. Het is een groot gebouw met heel veel trappen. Het dak rust op zware stenen zuilen en boven op dat dak staan steigerende bronzen paarden.
'Moeten wij helemaal die trap op?' vraagt Sander.
'Ja', knikt Joris. 'Helemaal!'
Ze klimmen de trap op. Sander is er niet gerust in. Hij is nog nooit in een museum geweest.
'Kom', zegt Joris. 'Volg mij maar. Ik ken de weg.'
Even later staan ze in een grote hal. Een kaartje hoeven ze niet te kopen. De toegang is gratis. Ze lopen onwennig de eerste zaal in.
'Kijk', zegt Miep. 'Schilderijen. Dat is kunst, denk ik.'
'O', zegt Sander die verbluft voor een levensgroot schilderij blijft staan. 'Kijk die honden, net echt. En het landschap. Het lijkt wel op Italië, waar we vorig jaar met vakantie geweest zijn.'
'Kijk daar! Wat een mooie mevrouw', zegt Miep. 'Het lijkt wel of ze die brief echt aan het lezen is.'
Joris knikt.
'Ze huilt', zegt hij. 'Ik zie de tranen in haar ogen.'
Ze zijn het erover eens dat dit vast grote kunst is.
'Hoe zouden ze dat doen?' vraagt Miep. 'Met welke verf kan je nu tranen schilderen?'
'Misschien met waterverf', probeert Sander.
Miep kijkt hem aan, denkt even na.
'Denk je?'
Sander haalt zijn schouders op.
Joris, die intussen al is doorgelopen naar een volgende zaal, komt plotseling weer binnengelopen.
'Gauw, kom kijken. Een grote, witte man. Helemaal in zijn blootje!'
Ze rennen de zaal uit en volgen Joris naar een grote witte ruimte, waarin beelden staan. Pal in het midden staat inderdaad een levensgroot beeld van een man. Hij is helemaal naakt. De spieren op zijn dijen, op zijn armen en op zijn buik staan strak gespannen.
Met hun mond wijd open kijken ze naar de ronde schouders, de gespierde buik, de stevige billen van het beeld. Vooral Joris is er helemaal weg van.
'Kijk', zegt hij. 'Zijn tenen, zijn knieën. Je ziet elk plooitje.'
Hij strekt zijn hand uit en legt die op de kuit van het beeld. Op hetzelfde ogenblik begint een sirene te loeien. Een dikke suppoost holt naar binnen, steekt zijn vinger op en roept:
'Hela, daar. De beelden niet aanraken! Anders vlieg je eruit. Kwajongens!'
In zichzelf brommend, loopt hij weer weg.
Joris is flink geschrokken en ook de anderen kijken beteuterd. Ze kunnen maar beter weer weg gaan, besluiten ze. Kunst is iets wat je niet mag aanraken.


'Ik ben het beu', zegt Miep. 'Als je kunst niet eens mag aanraken, waar dient ze dan voor?'
'Om mooi te zijn misschien?' probeert Joris.
'Pff, ik ben ook mooi. Ben ik dan kunst?'
'Misschien wel', proest Joris.
'En ik kan mooi zingen', zegt Sander. 'Muziek is toch ook kunst.'
'Muziek wel', plaagt Miep.
'Zeg, ik kan echt mooi zingen hoor', zegt Sander verongelijkt.
'In het bad zeker?'
'Dat is alvast niet erger dan wanneer jij blokfluit speelt terwijl je op het toilet zit.'
Miep schrikt. Ze wordt rood tot achter haar oren. Ze speelt inderdaad liefst op haar blokfluit als ze op het toilet zit. Als niemand haar hoort. Tenminste, dat dacht ze.
'Hè, stop eens met kibbelen. Ik denk dat ik het weet.'
Joris denkt na. Hij is er helemaal opgewonden van.
'Ik denk dat iets kunst is, als je het op een sokkel zet. Dat beeld van die blote man dat we vanmiddag gezien hebben, was toch kunst. Wel, dat stond op een sokkel.'
'En een schilderij dan?' vraagt Miep ongelovig.
'Nu ja, op een sokkel zetten of aan de muur ophangen. Dat is toch hetzelfde.'
'O ja', knikt Sander. 'Ik heb het begrepen. Als Miep blokfluit speelt op het toilet, is dat kunst. Want dan zit ze op een sokkel.'
'Zeg, Sander, stop daarmee!' roept Miep boos.
'Neenee, Sander heeft gelijk', zegt Joris. 'Als jij op het toilet zit, is dat natuurlijk geen kunst. Maar als je met de muziekschool optreedt, dan is het wel kunst. Want dan sta je op een podium. En dat is toch ook een soort sokkel.'
Miep en Sander denken na. Daar zit wel iets in.
'Maar', zegt Sander plots, 'kunst moet ook mooi zijn. Als Miep valse noten speelt - zoals ze gewoonlijk doet - dan is dat toch geen kunst.'
'Ik speel geen valse noten', bijt Miep.
'Dat is waar', antwoordt Joris.
'Zie je wel, Sander.'
'Neenee', zegt Joris. 'Niet dat je geen valse noten speelt. Dat kunst mooi moet zijn, bedoel ik. Kunst moet mooi zijn en op een sokkel staan.'
'Sander, schrijf op', gebiedt Miep. 'Kunst moet mooi zijn en op een sokkel staan.'
Even denkt ze na.
'Zou dat genoeg zijn voor de juf?'
Sander haalt de schouders op. Hij weet het niet zeker.
'Het moet maar genoeg zijn', zegt Joris. 'Ik zoek niet meer verder. We moeten onze tentoonstelling nog maken ook. Als we daar niet gauw aan beginnen, geraken we niet eens klaar. Overmorgen komt de burgemeester.'
'Goed', zegt Miep. 'Laten we dan op zoek gaan naar dingen die mooi zijn en die we op een sokkel kunnen zetten.'
'Of aan de muur hangen', vult Sander aan.
'Precies', zegt Joris. 'Ik verwacht jullie hier morgenavond terug en iedereen brengt een kunstwerk mee. Ik bedoel: iets wat mooi is en wat op een sokkel kan.'
'Of aan de muur kan hangen.'
'Ja, Sander!'


'Wat een weer!' zegt Miep als ze de volgende avond bij Joris binnenvalt. Ze heeft een grote plastic zak bij zich waar wel duizend druppels op glinsteren.
'Ik heb mijn kunstwerk boven mijn hoofd gehouden om niet nat te worden.'
Ze zet de zak op de grond en doet haar jas uit.
'Wat heb je?' vraagt Joris.
'Dat zie je zo wel', antwoordt Miep. 'En heb jij wat gevonden?'
Joris knikt heel geheimzinnig.
'Ja, hoor. Maar ik laat het je pas zien als Sander hier ook is.'
'Ik vond het wel moeilijk', zei Miep. 'Ik kon niet kiezen.'
'Niet kiezen? Ik was al blij dat ik iets vond.'
Dan valt Sander binnen. Zijn haar is druipnat en aan zijn neus bengelt een druppel. Onder zijn arm draagt hij een groot pak van bruin papier. Het is doorweekt en hier en daar dreigt het te scheuren.
'Oef, wat een weer, zeg. Dat regent nu al dagen.'
'Trek je schoenen uit voor mijn moeder je weer buitenzet. Ze is allergisch voor modder.'
Sander schopt zijn schoenen in een hoek en zet zijn pak neer.
'Je hebt wat gevonden?'
Sander knikt.
'Eerst vond ik niets. Maar mijn vader heeft me geholpen. Die had op zolder nog een echt kunstwerk staan. Kijk maar.'
Sander scheurt het doorweekte bruine papier weg en daar verschijnt een groen geschilderd gipsen beeld van een knielende boogschutter. Met zijn linkerhand houdt hij zijn boog gespannen en in zijn rechterhand houdt hij een pijl vast. Miep schiet meteen in de lach.
'Er zit geen pees aan die boog!' zegt ze. 'Die pijl zal niet ver vliegen.'
'Dat zei ik ook al tegen mijn vader', zegt Sander wat beteuterd. 'Maar hij zei dat je dat er maar bij moet denken. Dat doen ze zo met kunst, zei hij. Ze tonen nooit alles. Soms laten ze zelfs de kop of de armen van een beeld weg, zei hij. En hier is het de pees van de boog.'
Sander haalt zijn schouders op alsof hij de uitleg van zijn vader niet helemaal vertrouwt.
'Tja', zegt Joris. 'Ik denk dat mijn mama dat geen kunst zou noemen, maar kitsch.'
Sander kijkt droevig.
'Ik heb mijn best gedaan', zegt hij. 'Ik vond niets anders.'
'Trek het je niet aan, Sander. Vertel jij liever eens wat je gevonden hebt, Joris.'
'Eerst jij', zegt Joris.
'Nee, jij eerst', houdt Miep vol.
'Goed', zegt Joris. 'Hier. Het is maar klein, hoor. Maar het bestaat uit twee stukken.'
Hij trekt een lade open en terwijl hij geheimzinnig lacht, haalt hij er een zilveren eierdopje en een zilveren eilepeltje uit.
'O, hoe mooi!' zegt Sander.
Miep buigt voorover om beter te kunnen zien.
'Kijk', legt Joris uit, 'hier aan de voorkant staat een wapenschild en aan de achterkant een paardje. Mooi, hè.'
'Dat schild staat nog eens op het lepeltje ook!' zegt Sander verbaasd.
'En nu jij, Miep!'
Miep zucht.
'Ik weet niet of het goed is, hoor', zegt ze, terwijl ze de plastic tas op haar knieën neemt en die aarzelend open maakt. Ze haalt er langzaam, bijna plechtig een kapstok uit waaraan een jurk hangt.
'Een jurk?' roept Joris verwonderd.
'Een jurk, is dat ook al kunst?' wil Sander weten.
'Het is een heel speciale jurk', legt Miep uit. 'Het was een witte, katoenen jurk, maar ik heb ze zelf geschilderd.'
Ze haalt de jurk helemaal uit de zak. De hele jurk is lichtgroen met hier en daar donkergroene plekken. Daarover staan fel gekleurde strepen: rood, geel en blauw.
'Ik vind het wel mooi', zegt Joris.
'En je kunt het aan de muur hangen', geeft Sander toe.
'Dus is het kunst', knikt Joris.
'Dan is onze tentoonstelling klaar', zegt Sander.
Een poosje zitten ze alle drie met hun kunstwerk op schoot naar elkaar te kijken. Sander met zijn boogschutter, Joris met zijn eierdopje, Miep met haar jurk.
'Als de juf het nu maar goed vindt', zegt Miep stilletjes voor zich uit.


De juf vindt het dus niet goed. Integendeel, ze is razend. De burgemeester kan elk ogenblik aankomen. Ze is dus doodzenuwachtig. De kinderen hebben allemaal hun standje opgezet in de turnzaal. De meeste groepen hebben er ook echt wat van gebakken. Ze hebben zelf een schilderij gemaakt, of in klei een beeld geboetseerd. Dat kan ze best wel aan de burgemeester tonen. Alleen Miep, Sander en Joris hebben het verknoeid. Ze roept en tiert.
'Wat is dat? Een oude jurk! Is dat kunst misschien? En een eierdopje. Dat had ik van jou niet verwacht, Joris. Je hebt je er wel erg gemakkelijk vanaf gemaakt. En over dat kitschbeeld van jou wil ik het nog niet eens hebben!'
Ze geeft een stamp tegen de sokkel waarop Sander de boogschutter heeft neergezet. Het beeld wankelt. Sander tracht het nog te grijpen, maar het valt op de tegels en spat in duizend stukjes uit elkaar. Verschrikt zit Sander tussen de scherven met de sokkel in zijn armen.
'Ruim die rommel op en blijf uit mijn ogen zolang de burgemeester hier is', gilt de juffrouw.
Sander, Joris en Miep ruimen de scherven op en lopen de turnzaal uit naar buiten. Het regent nog altijd, maar dat deert hen niet. Ze gaan buiten op een bank zitten onder het portaal. Ze zien hoe even later de auto van de burgemeester op de oprijlaan verschijnt en hoe de juf met een grote zwarte paraplu de turnzaal uitloopt om hem op te halen.
'Ik heb een idee', zegt Joris ineens terwijl de burgemeester met grote voorzichtige passen door de modder naar de turnzaal loopt. 'Maar we moeten vlug zijn. Kom.'


De burgemeester kent maar een paar woorden. Zo lijkt het toch. Terwijl hij langs de standjes loopt, zegt hij alleen maar: 'Heel mooi, heel mooi', of 'Knap werk', of 'Hoe is je naam, vriendje?'.
Als hij alles gezien heeft, zegt hij tegen de juffrouw: 'Hier zitten vast nog grote kunstenaars tussen.' En dan gaat hij bij de microfoon staan om zijn toespraak te houden. Nu blijkt hij ineens alleen nog maar moeilijke woorden te kennen. De kinderen doen of ze luisteren, maar denken intussen aan het vrije weekend dat vanavond begint. Als het maar niet zo blijft regenen.
Intussen zijn Joris, Sander en Miep buiten druk in de weer, vlakbij de auto van de burgemeester. Miep loopt af en toe naar de turnzaal en tracht door de bewasemde ruiten naar binnen te kijken. De burgemeester is nog altijd bezig met zijn toespraak. Achter hem staat de juffrouw klaar met een fles champagne. Ze hebben dus nog wel even de tijd. Joris en Sander hebben intussen een grote, houten bak die ze in het berghok van de school gevonden hebben tot bij de auto van de burgemeester gesleept. Het lijkt wel een sokkel, waarop alleen nog een beeld ontbreekt. Dan beginnen ze handenvol modder aan te dragen. Gelukkig regent het nu wat minder hard.
Miep komt nu ook helpen met de modder. Ze heeft het applaus gehoord. De toespraak van de burgemeester is dus gedaan. Nu drinkt hij champagne met de juffrouw. Het kan niet lang meer duren voor hij naar buiten komt.
'Goed', zegt Joris. 'We beginnen eraan.'
Hij trekt zijn natte hemd over zijn hoofd en schopt zijn schoenen uit.


'Zo, juffrouw, ik stap maar eens op', zegt de burgemeester.
'Natuurlijk, meneer de burgemeester. Ik begrijp dat u het druk hebt. Het was ons een waar genoegen.'
Bij elke zin maakt de juffrouw een halve buiging alsof het zo hoort.
'Ik hoop dat u het ook naar uw zin hebt gehad, meneer de burgemeester', voegt ze er nog aan toe, terwijl ze alweer een buiging maakt. 'Wil u misschien nog een van de werkjes van de kinderen uitkiezen om mee te nemen?'
'Ach, juffrouw', antwoordt de burgemeester een beetje verstrooid, 'laat maar. Ik heb thuis al bergen van dat soort rommel liggen. Overal waar ik kom, willen ze me zoiets mee geven. Als er nu werkelijk een opmerkelijk kunstwerk had tussen gezeten, zou ik dat natuurlijk graag aanvaarden. Maar wat ik hier gezien heb, is toch niet echt van aard om in mijn kabinet op te hangen. Al hebben de kinderen natuurlijk wel hun best gedaan, hoor juffrouw. U ook trouwens.'
En weg is hij. De juffrouw kijkt eerst een beetje sip, maar dribbelt dan achter de burgemeester aan om hem naar buiten te begeleiden. In het voorbijgaan grist ze de zwarte paraplu mee die ze bij het binnenkomen naast de deur had gezet.
De burgemeester zwaait nog vaag naar de kinderen terwijl de juffrouw de deur van de turnzaal voor hem openhoudt. Terwijl hij naar buiten stapt, tracht de juffrouw onhandig de paraplu open te vouwen.
De burgemeester loopt de trappen af en stapt naar zijn auto toe. Ineens blijft hij staan. Naast zijn auto staat een beeld op sokkel. Het lijkt wel een Grieks beeld. Het stelt een spiernaakte jongeling voor, rustend op één been, het andere lichtjes gebogen. Zijn armen houdt hij geheven.
'Wat nu, juffrouw?' zegt de burgemeester, lichtjes ontdaan. 'Het mooiste beeld hebt u buiten gezet.'
De juffrouw staat als aan de grond genageld. Ze vergeet zelfs de paraplu boven het hoofd van de burgemeester te houden, hoewel het intussen weer harder is gaan te regenen.
'Dit is een prachtig kunstwerk, juffrouw', zegt de burgemeester. 'Dat wil ik wel in mijn kabinet. Ik zie dat de klei nu nog nat is. Maar als die is opgedroogd, laat ik het beeld door mijn chauffeur ophalen. Hebben jullie dat geboetseerd, kinderen?'
Nu pas ziet de juffrouw dat Sander en Miep naast het beeld staan. De paraplu valt uit haar handen.
'Maar..., meneer de burgemeester...'
Meer kan ze niet uitbrengen, want op hetzelfde moment begint het te stortregenen.
'Goed zo, juffrouw,' roept de burgemeester nog, 'dat is dan afgesproken. Tot ziens.' En tegelijk vlucht hij voor de regen zijn auto in en rijdt weg.
'Sander..., Miep..., jullie..., en waar is Joris?'
Die laat verschrikt zijn armen zakken en houdt zijn handen voor zijn buik. Want door de hevige regen glijdt de modder van zijn lijf. Eerst komt zijn roze neus tevoorschijn, dan zijn schouders, en zijn rug, en zijn buik, en zo verder tot hij helemaal in zijn blootje staat.





Bekroond



 
Home Foto's 101 vragen Lezingen Bibliografie Biografie Fanmail