Drup, Drop en Drets op wereldreis
Een verhaal zonder einde
© Willy Schuyesmans, 1996
Tekeningen: Gilbert Declercq
Geschreven in opdracht van het Wereldnatuurfonds in het kader van het Bronnenproject.
Terug naar de bron
Laten we bij de bron beginnen. Daar begint immers alles. Water is de bron van alle leven. Zonder water leeft niets, leeft niemand. Dat durven we wel eens vergeten. We zijn het zo gewoon dat er helder, drinkbaar water uit het kraantje aan de muur komt. Zoveel we maar willen. Toch is dat niet zo gewoon. Er is heel weinig drinkbaar water op aarde. Als je alle water op aarde zou voorstellen als een badkuip vol, dan zou er nauwelijks één koffielepeltje drinkbaar water bij zijn. Dat beetje drinkwater verspillen wij alsof het niet op kan. Maar het kan wel op. Als we niet oppassen, komt er op een dag geen drinkbaar water meer uit het kraantje. Als we ons water aan het huidige tempo blijven vervuilen, duurt het niet lang meer of de wereld zit zonder.
Daarom wil het Wereld Natuur Fonds (WWF) terug naar de bron. Daar zou het water in principe nog zuiver moeten zijn. Als we van bij de bron de vervuiling en de verspilling aanpakken, kunnen we de wereld verbeteren. Als we ons ervan bewust worden dat drinkbaar water schaars is, hebben we de eerste stap al gezet. Het Wereld Natuur Fonds (WWF) wil je met dit boekje helpen die eerste stap te zetten. Je vindt er een spannend verhaal in over drie waterdruppels die op wereldreis gaan. Je vindt er ook tal van heel praktische tips in om water te sparen of om water zo min mogelijk te vervuilen. Zo wordt onze hele planeet weer schoon, zuiver en gezond.
WWF kreeg daarbij de hulp van SPA. Geen enkel bedrijf beseft beter hoe belangrijk zuiver water is, zowel voor de natuur als voor de mens. Het verkoopt immers zelf bronwater. Als ook de bronnen vuil worden, kan het wel inpakken. Niemand wil immers vuil water kopen. Geen wonder dus dat SPA mee wil helpen aan een gezonde wereld met zuiver water, van de bron tot de monding.
Drup, Drop en Drets
Heb je al eens een druppel horen praten? Nee? Dan moet je nu eens goed luisteren. Druppels hebben immers heel wat te vertellen. Maar het zijn geen schreeuwers. Nee, druppels praten zacht. Zo zacht dat je heel, heel goed moet luisteren. Als je ze niet wilt horen, dan zwijgen ze meteen. Maar als je je oor heel dicht bij hen te luisteren legt, dan vertellen ze je hele wijze dingen.
Liefst van al vertellen ze over hun reizen rond de wereld. Want druppels reizen de hele wereld rond. Niet met vliegtuigen of treinen natuurlijk. Nee, ze reizen met de wolken mee, van de zee tot ver over de bergen. En dan keren ze te voet - je wist zeker ook niet dat druppels voetjes hebben? - over het land weer naar zee terug.
In het verhaal dat zodra begint, vertellen Drup, Drop en Drets - drie druppels, maar dat had je al geraden - over hun wel heel bijzondere wereldreis. Hoe je ze uit elkaar houdt? O, dat is heel gemakkelijk. Druppels lijken namelijk helemaal niet op elkaar. Niets verschilt zozeer van een druppel als een andere druppel. Laat ik ze even aan je voorstellen.
Drup is een losbol. Hij gaat graag snel en zorgeloos door het leven. Hij denkt ook niet altijd zo goed na. Het leven komt zoals het komt, denkt hij. Misschien is het wel daardoor dat hij zo vaak pech heeft.
Drop is heel anders. Hij is een doorgoeie druppel. Liefst van al is hij bij de mensen. Hij wil ze altijd maar helpen. Zelfs als ze hem onheus behandelen of hem besmeuren met allerhande vuil, blijft hij toch hopen dat het ooit weer beter wordt.
Drets denkt over alles na. Hij hecht veel belang aan al wat puur, wat zuiver is. En hij leeft heel gezond. Hij houdt van de natuur en voelt zich helemaal in zijn sas als hij in een heldere, zuivere bron mag wonen.
Wil je horen wat Drup, Drop en Drets te vertellen hebben? Spits je oren dan maar.
Hoofdstuk 1
Uit damp geboren
De zee was rustig nu.
Dagenlang had het gestormd. Golven van wel vijf meter hoog werden opgezwiept door een gierende wind. Kletsnatte schuimkoppen donderden met bruut geweld naar beneden. Geen schip dat zich nog buiten waagde. De kleine visserssloep, die te lang op zee was gebleven, werd opgetild en neergesmakt. De vissers, bang tot in het putje van hun ziel, hielden zich vast aan de touwen en hoopten dat de sloep vol kabeljauw niet middendoor zou breken onder het watergeweld.
Aan de kusten beukten de golven tegen duinen. Ze sloegen bressen in de dijken. Ze stroomden jubelend het lage land achter de dijken binnen. De mensen trokken hun laarzen aan. Met zielige zandzakjes trachtten ze vruchteloos het water tegen te houden. De vrouwen sleurden voor de zoveelste keer de meubeltjes naar boven. De kinderen keken door het dakraam naar de verdronken auto's en de blanke velden. Ze hadden nog maar eens het eeuwige gevecht tegen het water verloren.
Maar dat was gisteren. Nu was de zee helemaal tot rust gekomen. De wind was gaan liggen en de golven werden steeds minder hoog. Ze kabbelden nu rustig voort tot bij het strand, waar het naar verse branding geurde. In brede waaiers liepen ze uit op het dorstige zand, waarop ze alleen maar een dun lijntje schuim achterlieten.
Dan brak de zon door de wolken. Een feest van licht en kleur. Donkere wolken met zilveren randjes. De mensen keken ernaar en vergaten hun miserie. Zo mooi was het. Langzaam dreven de wolken weg en klaarde de hemel op. Een nieuwe, warme dag brak aan.
Het was bijna middag toen de slierten waterdamp begonnen op te stijgen. Zachtjes eerst, onmerkbaar haast. Dan, toen het nog warmer werd, zag je de lucht boven de golven trillen. Haast onzichtbare linten waterdamp zochten hun weg naar boven. Het leek wel of de zee zweette van de warmte. Helemaal boven, hoog in de lucht, verschenen de eerste schapenwolkjes. Kleine, witte ruggetjes van wel duizend schapen leken het. Alsof daarboven een hemelse kudde graasde.
In zo'n schapenwolkje, op een lekker koel plekje, werden Drup, Drop en Drets geboren. Het ging zo plots dat ze er zelf geen erg in hadden.
Poing! En ineens was Drup er. Een volmaakte, heldere waterdruppel. Drup wreef zijn ogen uit en keek naar beneden. Hemeltje, wat was dat diep! Was dat nu de zee waaruit hij geboren was?
Poing! He, wat was dat? Vlak naast Drup klitten de deeltjes waterdamp uit de wolk plots aan elkaar en daar stond Drop. Hij leek op Drup als twee druppels water. Of toch niet helemaal?
'He', zei Drup. 'Waar kom jij zo ineens vandaan?'
'Weet ik ook niet', zei Drop nog een beetje beduusd van wat hem overkwam. 'Ik moet geboren zijn, denk ik.'
'Ja, dat zie ik!' antwoordde Drup. 'Dat is nogal wiedes'.
Drop knikte en keek behoedzaam rondom zich.
'Ik heet Drup', zei Drup. 'En jij?'
'Drop, denk ik', zei Drop.
'O, we zouden broers kunnen zijn.'
'Ja', zei Drop bedachtzaam. Hij vond dat Drup zo druk deed. Het was allemaal nog zo nieuw voor hem. Hij had tijd nodig.
Poing!
'He, kijk nu!' zei Drup. 'Daar heb je er weer een!'
Drop keek een beetje wantrouwig naar weer een druppel die uit het niets was opgedoken.
'Goedemiddag! Ik ben Drets', zei Drets.
'Dag. En welkom. Ik ben Drup. En dat is Drop.'
De drie druppels keken elkaar aan en wisten niet goed wat ze nu verder moesten zeggen. Het was natuurlijk Drup die als eerste de stilte doorbrak.
'Kijk', zei hij. 'Ik zat me hier net af te vragen of dat de zee is daar beneden.'
Drop en Drets keken naar beneden. Drop schrok en zette zich schrap om niet te vallen. Drets leunde voorzichtig en welbewust over de rand van de wolk en keek naar het water diep onder hem.
'Ik denk van wel', zei Drets. 'Dat moet de zee zijn waaruit wij geboren zijn.'
'Hoe kom je daarbij?' vroeg Drop verbaasd. 'Je kunt dat toch niet weten. Je bent nog maar pas geboren!'
'Tja, en toch weet ik het. Ergens diep in het binnenste van mijn druppel weet ik dat. Wij druppels zijn allemaal uit de zee geboren. En op een goede dag gaan we terug naar zee.'
Drets wachtte even en keek naar zijn maats. Die knikten langzaam.
'Nu je het zegt', zei Drup, die helemaal op het puntje van de wolk ging staan om de zee beter te zien. 'Ik heb ook het gevoel dat ik vroeg of laat weer naar beneden wil, naar de zee toe.'
Op dat moment stak er een windje op. Dat verraste Drup die zijn evenwicht verloor en van de wolk afgleed. Gelukkig kon Drop hem nog net bij zijn voet grijpen voor hij in de diepte stortte.
'Oef', zei Drup toen hij weer veilig bij zijn vrienden op de wolk zat. 'Dat was op het nippertje. Ik wil wel weer naar zee toe, maar nu nog niet, hoor. Ik ben hier pas. Ik wil best eerst een stukje van de wereld zien.'
'Ja, dat wil ik zeker ook', zei Drets. 'Naar het schijnt is de wereld heel mooi.'
Drop keek hem met grote ogen aan.
'Denk je... euh... denk je dat we in de wereld wat kunnen doen?' vroeg hij vol verwachting. 'Ik bedoel: kunnen we iemand helpen? Kunnen we de dieren of de mensen met iets van nut zijn.'
'Ik zou het geloven', zei Drets. 'Ze kunnen daar niet zonder water. Ze hebben ons gewoon nodig. Om te drinken bijvoorbeeld. Of om zich te wassen. Dankzij ons kunnen ze schoon en gezond blijven.'
'O', zei Drop en hij glimlachte tevreden.
Intussen zat Drup heen en weer te wiebelen alsof iets hem dwars zat. Hij keek nors en smakte een paar keer met zijn tong.
'Wat heb je?' zei Drop. 'Is er iets?'
'Ach nee', zei Drup. 'Of toch. Ik heb het gevoel dat ik iets mis.'
'Je mist iets?' vroeg Drets. 'Wat bedoel je?'
'Tja, ik weet het niet goed. Mijn tong...', probeerde Drup.
'Wat is er met je tong?'
'Nu ja', ging Drup verder. 'Zo flauw. Alles smaakt flauw.'
Drets schoot in de lach.
'Natuurlijk!' zei hij. 'Je bent al je zout kwijt. Dat heb je in zee achtergelaten. Daar wen je gauw aan, hoor. Je bent nu van het zuiverste water.'
'Zuiver water?' herhaalde Drup. 'Waren we dan in zee niet zuiver?'
'Niet helemaal', legde Drets uit. 'Toen zaten we vol met zout en ander spul dat de oude druppels van het land hadden meegebracht. Overal waar ze op hun reis voorbij kwamen, namen ze wat mee. Zout bijvoorbeeld. Dat lost op in water. Sinds de aarde bestaat, hebben onze voorouders altijd maar zout meegebracht naar zee.'
'Geen wonder dat de zee zo zout is', riep Drop verbaasd uit. 'Ik heb nooit geweten dat al dat zout van het land kwam.'
Drets knikte.
'Maar als je het mij vraagt', zei hij, 'heb ik net zo graag geen zout in mijn lijf. Dat is veel gezonder. Ik voel me nu helemaal zuiver. Echt water. Niets anders. Ik denk dat de mensen ons zo het liefst hebben.'
'He, kijk!' riep Drup uit. 'Land in zicht!'
De wolk waar ze op zaten, was met de wind meegedreven. De drie druppels keken hun ogen uit. Ze zagen het strand waar de zee witte schuimrandjes aan borduurde. Mensen lagen te zonnen in het zand. Daarachter stonden huizen en waren er weiden en bossen en grote velden. Een boer reed met een tractor rond en ploegde zijn veld. Over de autoweg gleden de wagens onafgebroken heen en weer.
'Hoe mooi!' zei Drop.
De anderen beaamden dat.
'Kijk daar! Wat is dat?' schreeuwde Drup uit boven de wind die nu in kracht toenam.
'Dat is een rivier', zei Drets. 'Langs daar moeten we ooit terug naar zee.'
Ze keken vol bewondering naar het zilveren lint dat door het landschap slingerde. De brede bochten schitterden fel in de zon.
Een hele grote wolk kwam voorbij, donker en dreigend. Ineens werd het kil tussen de wolken.
'Wat krijgen we nu?' zei Drop. 'Het was net zo lekker in het zonnetje.'
Het kleine schapenwolkje waar ze op zaten, verdween nu helemaal in de grote donkere wolk. Ze zagen geen hand meer voor hun ogen.
'Hou je vast!' riep Drets. 'Hier, geef een hand!'
De drie druppels klampten zich aan elkaar vast. Drop rilde als een riet en Drup klappertandde als een ratelaar. Drets huiverde.
Plots werd alles hel verlicht, één seconde lang. Drup, Drop en Drets schrokken en krompen in elkaar. Dan was het weer pikdonker. Maar nog voor ze van hun verbazing waren bekomen, knalde een donderend geluid door de wolk. Ze werden heen en weer geslingerd en hadden de grootste moeite om elkaar niet kwijt te raken.
'Het onweert!' schreeuwde Drets, maar zijn woorden gingen verloren in de wind.
Weer een licht. Weer een knal. Soms stegen de drie druppels pijlsnel omhoog en zagen ze ineens een glimpje van de zon. Dan doken ze weer met duizelingwekkende vaart naar beneden in de wolk.
'Help, ik val!' krijste Drup.
Drop greep zijn hand stevig vast. Maar tegelijk voelde hij zichzelf ook zwaarder worden.
'We worden maar dikker en dikker. Zwaarder en zwaarder!' riep Drets. 'Er is niets aan te doen. We vallen naar de aarde!'
Terwijl hij dit zei, tuimelden ze alle drie hand in hand naar beneden, meegesleurd door een stortbui.
Hoofdstuk 2
Vallen
Drup, Drop en Drets vielen hand in hand naar beneden. Steeds sneller vielen ze.
'Ik ben bang', riep Drop.
'Dat helpt je niets', zei Drets. 'Gewoon even op je tanden bijten. Dit hoort er gewoon bij. Wij druppels zijn niet gemaakt om eeuwig door de lucht te zweven. Als druppel moet je vroeg of laat naar beneden vallen.'
'Ik vind het ook helemaal niet erg', zei Drup. 'Ik begin er zowaar plezier in te krijgen.'
Maar Drop vond het allemaal een beetje eng. Hij kneep zijn ogen stijf dicht en hoopte stilletjes dat alles goed zou komen. Hij hield stevig de handen van Drup en Drets vast. Die vonden het vallen heerlijk. De wolk boven hen leek al ver weg. Beneden lag het land, doorweekt van de malse regen. Af en toe bliksemde het nog en in de verte hoorden ze de donder rollen.
'Kijk daar! Een dorp', wees Drup.
Drop deed voorzichtig zijn ogen open. Tja, mooi was het wel. Maar moest het allemaal zo snel gaan? Net toen hij zijn ogen weer wilde sluiten, kreeg hij de kerktoren in het oog. Die vond hij blijkbaar zo mooi dat hij vergat zijn ogen weer dicht te doen. En meteen was ook zijn schrik over.
'Kijk daar', riep hij. 'Ik zie kinderen lopen. En daar haalt een vrouw haastig de was binnen. Die heeft ons vast zien aankomen!'
Drets en Drup lachten. Ze vonden het veel prettiger nu Drop wat van zijn schrik bekomen was. Samen suisden ze in vrije val naar beneden. Links en rechts van hen wemelde het van de druppels die allemaal net als zijzelf naar de aarde toe vielen.
'Wij regenen! Wat heerlijk!' riep Drup uit.
'We plonzen! We spetteren!' vulde Drets aan.
'We regenen dat we gieten!' krijste Drup ietwat overmoedig, waardoor hij per ongeluk tegen een andere druppel aanbotste.
'Oh, pardon', zei hij geschrokken.
'Geeft niet', zei de vreemde druppel. 'Het is hier allemaal één pot nat.'
'Jongens. Jongens! Opletten!' riep Drup. 'We zijn er bijna. We moeten een plekje uitkiezen waar we naartoe willen.'
Wat heerlijk dat je dat zelf kon kiezen, dacht Drop. De kerktoren! Daar wilde hij wel bovenop vallen. Maar toen hij dat tegen zijn vriendjes zei, schudde Drets met zijn hoofd.
'Niet doen, Drop', zei hij. 'Als je op een kerk of op een dak valt, word je meteen afgevoerd langs een dakgoot en een regenpijp. Voor je er erg in hebt, zit je voor jaren gevangen in een regenput.'
'Spijtig', zei Drop. 'Ik had graag eens op het puntje van de kerktoren gezeten.'
Intussen had Drup een andere bestemming gevonden.
'Daar!' riep hij. 'Dat weiland met die koeien. Ik heb nog nooit een koe van dichtbij gezien.'
'Lijkt me wel leuk', zei Drets. 'En dan zitten we tenminste in de volle natuur. Daar wil ik liefst naartoe.'
'Dan zijn we toch niet te ver van de mensen weg?' probeerde Drop nog, want hij wilde echt wel iets voor de mensen doen.
'Nee', antwoordde Drets. 'Waar koeien zijn, zijn mensen. Vanavond komt de boer zijn koeien melken.'
Drop wilde nog iets zeggen, maar daar was nu geen tijd meer voor. Ze waren bijna aan de grond. De koeien daar beneden werden steeds groter en groter. Eén koe leek nog sneller te groeien dan de andere. En wat een kop had die! Klets! Spetter! Spat! Bijna tegelijk kwamen ze alle drie bovenop de kop van de koe terecht. Drets haalde diep adem.
'Alles in orde?' riep hij naar zijn maats.
'Ja, hoor', riep Drup fluks.
'Nogal.'
Drop klonk wat flauwtjes. Moeizaam stak hij zijn hoofd omhoog. Hij zat helemaal verward tussen de stijve haren van de koe. Met zijn kleine handen aan de haren vastgeklemd, hees hij zich naar boven. Plots bukte de koe zich om te grazen. Drets en Drup tuimelden naar voren. Alleen Drop, die zich stevig vastgreep, bleef ter plaatse. Drets kon zich nog net vastklampen aan de haartjes boven het oog van de koe. Maar Drup gleed als over een glijbaan langs de neus van de koe naar beneden. Helemaal onder aan de snuit bleef hij hulpeloos bengelen.
'Help!' riep hij. Maar niemand scheen hem te horen.
De koe zette nog een paar stappen tot vlakbij de sloot en bukte zich diep voorover om te drinken. Drup ging kopje onder en kwam proestend weer aan de oppervlakte, luidkeels om hulp schreeuwend. Maar de koe hoorde het niet. Ze draaide zich om, liet een enorme koeientaart vallen op de rand van de sloot en stapte rustig naar de andere kant van het weiland, op zoek naar mals gras.
'Verschrikkelijk!' zei Drop. 'Drup is in het water gevallen!'
'Tja', antwoordde Drets, 'die zien we niet gauw meer terug. Maar hij redt zich heus wel. Druppels kunnen niet verdrinken.'
'Blijf jij altijd bij mij?' vroeg Drop met een benepen stemmetje.
'Dat kan ik moeilijk beloven', stelde Drets. 'Je hebt als druppel zo weinig in de pap te brokken als je per toeval een andere kant op stroomt.'
Drop knikte droevig. Dat had hij zelf ook al bedacht.
'Jammer', zei hij.
'Maar ja, ik wil best met je optrekken, hoor', troostte Drets hem. 'Laten we afspreken dat we zo lang mogelijk bij elkaar trachten te blijven. Alleen, je weet nooit hoe het loopt. Je weet nooit waar je terechtkomt.'
Zijn woorden waren nog niet koud of de koe schudde hevig met haar kop. Misschien was er een beestje in haar neusgat gekropen. Of misschien was het alleen maar een gekke ingeving van het moment. In elk geval vlogen Drop en Drets met een wijde boog van de koeienkop af en kwamen op de weidegrond terecht tussen het gras.
'Oef! Is me dat schrikken!' zei Drets.
'Zeg dat wel', zei Drop nadat hij op handen en voeten weer tot bij Drets was gekropen. Hij knipperde even met zijn ogen, schudde de zandkorrels van zijn lijf en ging languit tegen een grasstengel zitten.
'He, wat gebeurt er nu?' riep Drets. 'Ik zak weg. Ik verdwijn in de grond!'
Drop sprong op en wilde zijn vriendje helpen. Maar op hetzelfde moment voelde ook hij hoe hij in de grond zakte. Langzaam, maar onophoudelijk zakte hij dieper en dieper tot alleen nog zijn kop boven de bodem uitstak. Hij zag nog net het laatste stukje van het hoofd van Drets in de vette weidegrond verdwijnen en toen werd het donker.
Hoe lang de tocht door de donkere aarde geduurd heeft, wist Drop niet. Wel merkte hij al gauw dat de vette aarde ophield en plaats maakte voor een zacht gesteente dat wat naar krijt smaakte. Het was heel prettig om daar door te sijpelen, al was het er even donker als voorheen.
Overal rond zich voelde Drop andere waterdruppels wriemelen en langs elkaar schuiven. Maar het was onmogelijk om uit te maken of Drets er ook was. Beetje bij beetje zakte hij naar beneden. Het was alsof hij in een lange rij stond, waarin hij telkens één plekje kon opschuiven.
Plots merkte Drop dat hij hing te bengelen. Tegelijk hoorde hij de druppel voor hem vallen. Het duurde heel even en dan hoorde hij 'plets'. Dat klonk hol. Het moest vast een grote ruimte zijn waar hij nu in terecht was gekomen.
De druppel achter hem duwde in zijn rug. Steeds harder duwde hij. Drop probeerde zich nog even vast te houden aan de gladde kegel waaraan hij hing te bengelen. Maar dat lukte niet. Drop kneep zijn neus dicht en liet zich vallen. Ook hij kwam met een holle 'plets' wel tien meter lager terecht. Hij voelde dat hij ergens af gleed tot hij in een klein plasje tot stilstand kwam.
'Hoeoehoeoeoe, hoe koud!' huiverde hij.
'He, Drop, ben jij dat?'
Dat was de stem van Drets.
'Ja, Drets, hier! Heb jij een idee waar we terechtgekomen zijn?'
'Niet in het minst', antwoordde Drets. 'Het is hier veel te donker naar mijn zin!'
En toen verscheen er een lichtje. Het gleed langzaam dichterbij en het bewoog. Drop en Drets keken met open monden naar de lichtbundel. Die dunne straal licht gleed over een sprookjespaleis. Het licht was afkomstig van een zaklamp en die werd gedragen door een meisje in een bootje. Ze konden haar nu zelfs horen. Ze vertelde aan de andere mensen in het bootje hoe de grot was ontstaan. Ze legde uit hoe de waterdruppels dag in, dag uit naar beneden drupten en daarbij telkens een heel klein beetje kalk meenamen uit het gesteente boven. Een vleugje van die kalk lieten ze achter aan de zoldering van de grot en de rest speelden ze grotendeels kwijt op de plek waar ze neervielen. Zo ontstonden de druipstenen die ze met haar zaklamp aanwees. Dan gleed het bootje langzaam van hen weg en spoedig was het weer helemaal donker.
Er kwamen nog steeds andere druppels bij en het putje waarin ze zich verzamelden, stroomde gauw over. Drets greep Drop bij de hand en samen gleden ze over de boord van het putje naar de ondergrondse rivier die een paar meter lager lag.
Een tijdlang lieten ze zich zachtjes meeglijden. Maar het water leek steeds sneller te stromen. Ze gleden langs rotsblokken, wipten over drempels van kalk, draaiden rondjes in een kolk. Drop en Drets giechelden en soms gierden ze het zelfs uit van de pret. Het was heerlijk je zo in het water mee te laten drijven.
Dan kwam plots de waterval. Het water ging ineens zo snel dat Drop en Drets elkaar loslieten. Samen verdwenen ze, glijdend over de wand om vervolgens langs een muur van water naar beneden te storten.
'Help!' riep Drop. 'Waar ben je?'
'Hier!' riep Drets nog, maar zijn woorden gingen verloren in het bulderende water dat schuimend uit elkaar spatte in een wild waterfeest vol kolkend gedruis. Toen de twee armen van de rivier even verder uit elkaar gingen, dreven Drop en Drets elk een andere kant uit.
Hoofdstuk 3
Zwemmen in troep
'Help!' riep Drup en hapte naar adem.
Hij ging kopje onder in de sloot. Toen hij weer boven water kwam, zag hij nog net hoe de koe zich omdraaide.
'Wacht! Wacht op mij!'
In paniek staarde Drup naar het enorme achterwerk van de koe. Die liet achteloos een grote bruine vlaai op de oever van de sloot vallen en wandelde weg.
'He! Kijk uit!' riep Drup boos.
Maar op hetzelfde moment spatte de koeienvlaai vlak bij Drup uit elkaar. Hij kreeg een grote kluit mest bovenop zijn hoofd. Meteen dook hij weer kopje onder en kwam druipend van de vieze brij weer boven.
'Wat een vieze troep! Kijk toch uit!'
De tranen stonden Drup in de ogen. In één klap was hij alles kwijt: zijn vrienden en zijn mooiste pak. Daarnet maakten ze nog met zijn drieën plezier op de kop van de koe. Daarnet was hij nog een schone, ongerepte regendruppel zoals je ze maar zelden vindt. En op nauwelijks enkele seconden tijd was hij veranderd in een eenzame, smerige druppel rioolwater.
Drup liet zijn armen zakken en dreef moedeloos mee met het trage water uit de sloot. Door zich langs de planten te wrijven, raakte hij al gauw de meeste troep kwijt. Maar echt schoon werd hij niet meer.
Hij dreef langs weiden, langzaam met het slootwater mee. Dat ging zo traag doordat de sloot helemaal was dichtgegroeid met algen en wieren. Eigenlijk had Drup verwacht dat hij vissen zou zien. Dat zou hij heerlijk gevonden hebben: een visje dat met zijn zilveren schubben tussen de vele waterdruppels zwemt. Maar er viel geen vis te bespeuren.
Drup dreef nu naast een oude druppel, die vast al een hele tijd op het land had doorgebracht. Eerst durfde Drup hem niet aan te spreken. Maar toen zijn nieuwsgierigheid zo groot werd, dat hij het haast niet meer kon houden, stootte hij de oude druppel aan en vroeg:
'Waarom zit hier geen vis?'
De oude druppel keek hem aan alsof hij het achtste wereldwonder zag.
'Jij bent ook nog niet lang op het land, niet?'
Drup schudde zijn hoofd.
'Dat merk ik. Elke druppel weet toch dat er in de sloot geen vis meer zit. Die gaat gewoon dood.'
'Dood?'
Drup keek de oude druppel verbaasd aan.
'Morsdood', ging die verder. 'Een vis stikt hier gewoon. Er zit teveel troep in het water.'
'Maar hier groeien toch mooie groene planten', probeerde Drup.
De oude druppel lachte schor.
'Ik hoor wel dat jij nog een groentje bent', ging hij verder. 'Die groene planten, daar gaat het juist om. De boeren gooien veel te veel mest op het land. Als het regent, spoelt het overschot in de sloot. En daar gaan die waterplanten van groeien. Niet zomaar groeien. Ze gaan woekeren. Ze zijn met zoveel en ze worden zo dik en groot dat ze alle zuurstof nodig hebben. Ze zuigen 's nachts gewoon de zuurstof uit je lijf, man! Ik merk wel dat jij hier nog geen nacht hebt doorgebracht, groentje. Wacht maar. Over een paar uur gaat de zon onder en dan begint het. Het laatste likje zuurstof moet eraan geloven. Voor de vissen laten ze gewoon niets over.'
'Waar zijn de vissen dan naartoe?' vroeg Drup.
De oude druppel lachte schamper.
'Ik heb nog de tijd geweten dat hier nog vis zat', zei hij op een vertrouwelijk fluistertoontje. 'Op een warme zomerdag was het er ineens mee gedaan. Ze dreven met tientallen tegelijk op het water. Buikje naar boven. Gestikt. Morsdood. Gedaan ermee. Sinds die dag heb ik hier nooit meer een vis gezien.'
'En wij, hebben wij dan genoeg zuurstof?' wilde Drup nog weten.
'Tuurlijk niet', zei de oude druppel zachtjes. 'Maar druppels gaan daar niet van dood. Ze lijden in stilte en reizen verder naar de zee. Daar is het water woelig genoeg om weer zuurstof op te nemen. Maar het is een lange reis naar zee. Het is een hele lange reis naar zee. Knoop dat goed in je oren, jongen. Daar ben je nog lang niet, weet je.'
En weg was de oude druppel. Drup zag nog hoe hij zich vastklampte aan een waterplant. Onbegrijpend keek Drup hem na. Natuurlijk zou hij zo nooit bij de zee geraken. Hij bleef overal treuzelen! Ach, die oude druppels ook.
Drup dreef zo snel hij kon de sloot uit. Hij wilde in elk geval in de beek zijn voor de nacht viel. Hij had immers geen greintje zin om te weten hoe het voelt als je te weinig zuurstof hebt.
Eindelijk dook hij door een kleine duiker de beek in. Het was al flink aan het schemeren. Gelukkig ging het nu veel sneller. Hier was inderdaad niet zoveel plantengroei. En Drup had de indruk dat hier toch nog behoorlijk wat zuurstof in het water zat.
Hij liet zich een paar kilometer meedrijven en ging toen uitrusten aan de kant. Ach, veel druppels reisden blijkbaar ook 's nachts door, zo'n haast hadden ze. Maar Drup had vandaag al zoveel meegemaakt. Dus zocht hij een beschut plekje onder een grote stenen buis en ging languit op zijn rug liggen. Het duurde maar heel even of de ogen van Drup vielen toe en hij sliep. Hij droomde dat hij op een wolk zat met Drop en Drets. In de wolk zwommen vissen, wel duizend! En ze hadden meer dan genoeg zuurstof.
Midden in de nacht schrok Drup wakker. Overal op zijn huid brandde een bijtende stof. Hij sprong opzij en trachtte te zien wat er aan de hand was. In het licht van de halfvolle maan zag Drup hoe een donkere vloeistof traag uit de buis stroomde, zomaar in de beek.
'Zijn ze nu helemaal gek geworden?' riep hij uit.
'Maak liever dat je wegkomt voor het te laat is', riep een andere druppel vlakbij zijn oor. 'Het is een bijtend zuur vandaag.'
'Hoezo vandaag? Hoezo bijtend zuur?' vroeg Drup onthutst.
'De fabriek. Overdag is het hier volkomen veilig', zei de druppel. 'Dan merk je niets. Maar elke nacht spuiten ze die troep in het water. Helemaal ongezuiverd. Zomaar de beek in. Geen wonder dat hier niets meer leeft. Maar nu ben ik weg en ik raad jou hetzelfde aan. Het is hier niet om uit te houden voor een fatsoenlijke druppel.'
En weg was hij naar het midden van de beek. Drup volgde hem zo snel hij kon, maar toch verloor hij hem spoedig uit het oog.
Midden in de beek was het beter uit te houden, al hing de stank van het goedje vlak boven het water. Drup spoedde zich stroomafwaarts, nog altijd een beetje kwaad omdat hij op zo'n bruuske manier uit zijn dromen geschud was.
Toen het ochtend werd, was ook de geur bijna verdwenen. Maar een vis of een andere vorm van leven viel niet te bespeuren.
Drup werd er helemaal triest van. Eigenlijk had hij zich zijn wereldreis toch wel anders voorgesteld. Hij had gedroomd van mooie beekjes die door prachtige landschappen kronkelden, van watervalletjes en stroomversnellingen met klaterend water, van meertjes en rivieren vol vis en met oude bomen vol kwetterende vogels op hun oevers. Viel dat even tegen. In plaats daarvan zag hij alleen maar velden vol mest, buizen met afvalwater, huizen, steden, autowegen.
Toen zijn beekje in de grote rivier uitmondde, werd het nog erger. Zelfs de schepen die hij hielp dragen, kieperden hun vuile olie gewoon overboord. Er is niets waar een druppel zo'n hekel aan heeft als aan een olievlek. Ook op zee kwamen ze wel eens voor. Hoezeer het zeewater ook hielp om de olie op te ruimen, voor dat lukte waren keer op keer honderden vogels ermee besmeurd geraakt.
Het was een heel andere Drup die weken later bij de grote stad aan de bocht van de grote rivier kwam. Tientallen schepen voeren af en aan, overal was bedrijvigheid. Fabrieken spoten zwarte rook in de lucht en al even zwart afvalwater in de rivier. Over de stad hing jaar in, jaar uit een nooit optrekkende mist. Als de zon al zichtbaar werd in die erwtensoep, was ze bloedrood en warmte gaf ze niet.
Drup had veel geleerd op zijn wereldreis. Hij was een paar illusies kwijtgeraakt en eigenlijk voelde hij zich ook helemaal niet meer lekker. Hij zag er belabberd uit en vuil. Hij verlangde naar de zee. De mensen hadden er blijkbaar een troep van gemaakt op aarde. Hij kon maar niet begrijpen dat ze zo zorgeloos met de waterdruppels omgingen. Die hadden ze zelf toch nodig om te leven. Hij zou zichzelf niet meer te drinken durven geven aan een mens. Dat wist hij wel zeker. Drup zuchtte. Hoe zou het met Drop en Drets zijn trouwens? Hopelijk hadden die wat meer geluk gehad tijdens hun reis.
Op een dag werd de rivier breder en wilder. Er verschenen heuse golven op die dansten op de wind. En plots was die geur van de zee er. Drup zou hem herkennen uit duizenden geuren. Op slag was hij al zijn droefenis vergeten. Hij spoedde zich verder naar de monding toe.
Toen hij voor het eerst weer zout proefde, kon hij zijn geluk niet op. En toen hij de eerste meeuwen hoorde schreeuwen, wist hij dat hij eindelijk weer was aangeland waar hij thuishoorde.
Het geluid van de branding deed zijn oren suizen. Eindelijk weer thuis, dacht hij, en hij was dolgelukkig dat hij weer één kon worden met die miljarden en miljarden waterdruppels die al sinds het ontstaan van de aarde de zeeën hadden bevolkt.
'Eindelijk', zei hij en de frisse zeelucht prikte in zijn neus.
Hoofdstuk 4
In de put
Drop hapte naar adem. Wat ging dat snel! Nog veel sneller dan regenen. Dan val je ook wel, dacht Drop, maar dan blijven de druppels tenminste beleefd uit elkaars buurt. In zo'n waterval is dat wel even anders. Schouder aan schouder, allemaal samen. Je hebt niet eens een plekje voor jezelf.
En dan dat gedonder, het oorverdovend geraas waarmee het water zich in de diepte stort. Pfff, wat een avonturen Drets en hij beleefden!
Trouwens, waar is Drets?
Drop keek om zich heen en begon toen pas te beseffen dat Drets er niet meer bij was. Terugzwemmen tegen de stroom in, was onbegonnen werk. Een forel kon dat. Of een zalm. Maar een arme waterdruppel moest er niet eens aan denken. Drop zuchtte diep. Hij besefte dat hij Drets was kwijtgeraakt, zoals die trouwens zelf had voorspeld. Hij zou het voortaan alleen moeten rooien.
Het water werd spoedig rustiger. Hij was nu blijkbaar in een groot onderaards waterreservoir terecht gekomen. Hier kwam hij helemaal tot rust. De andere druppels wisten hem te vertellen dat je hier maar een tijdje bleef. Je moest langzaam uitwijken naar de kant en daar sijpelde je dan op een goede dag weg in de zandige oever. Daar werd elke druppel nog eens grondig schoongewassen tussen de zandkorrels.
Een paar dagen later was het zover. Drop proefde het eerste zand en verdween in de ondergrondse waterlaag. Het beetje vuil dat aan hem kleefde - veel was het niet - raakte hij spoedig kwijt. Hij voelde zich zo schoon en zo gezond. Als het nu maar niet te lang duurde voor hij ergens iemand ontmoette. Een mens bijvoorbeeld of een dier met dorst. Dan kon hij zich laten drinken. Drop wilde immers niets liever dan anderen een plezier doen.
Maar het duurde wel erg lang. Er scheen geen eind te komen aan zijn verblijf in de onderaardse waterlaag. Drop werd er zowaar wat lui van. Je kon ook zo weinig doen. Alleen elke dag een heel klein stukje opschuiven tussen de zandkorrels. Waar naartoe? Niemand wist het precies. Zelfs de oude druppels, die het allemaal al eens hadden meegemaakt, waren het weer vergeten. Zo lang was het geleden.
En toch, op een goede dag was het zover. Ineens zag Drop licht. Dat was geleden van toen hij een tijdje op een koeienkop had doorgebracht. Tenminste als je geen rekening houdt met dat zaklampje van het meisje in de grot. Maar ineens was er weer echt licht. Zonlicht. Niet veel. Een klein, helderblauw cirkeltje licht hoog boven hem.
Drop was nog maar net uit de bodem gekropen toen hij het zag. En hij was er heel erg blij om. Als je zo lang geen licht meer hebt gezien, vind je zelfs zo'n klein beetje al heel wat.
Toen zijn ogen wat aan het verse licht gewend waren geraakt, begon Drop te beseffen waar hij was terecht gekomen. Hij zat onderin een soort smalle pijp die loodrecht in de bodem was uitgegraven, wel tien meter diep of misschien nog meer. Rondom tegen de muren waren stenen gemetseld.
Drop dacht na. Dat moest ongetwijfeld een waterput zijn. Daar had hij wel eens over horen vertellen door andere druppels. Zijn druppelhartje begon harder en harder te slaan. Hij was in een waterput terechtgekomen en daar was hij ontzettend blij om. Een waterput is door mensen gegraven. Dus moest hij vlakbij de mensen zijn. Eindelijk, dacht hij. Hij danste in het rond, al waren zijn benen nog wat stram van zo'n lange tijd onder de grond te zitten.
'He, hou je gemak!'
Een dikke druppel gaf hem een duw.
'Doe niet zo gek, jongen. Daar is vast geen reden voor.'
'O, jawel', zei Drop. 'We zitten in een waterput!'
'Dat zie ik ook wel', zei de dikke. 'Maar dat is nog geen reden om zo gek te doen.'
'Waar een put is, zijn mensen', ging Drop verder.
De dikke keek hem onbegrijpend aan.
'En dan?' vroeg hij.
'Ik wil bij de mensen zijn. Hen mijn diensten aanbieden', zei Drop, trots als een pauw.
De dikke trok zijn neus op.
'Ik zie niet in wat daar zo leuk aan is', zei hij. 'Ik heb wel eens rare verhalen gehoord over de mensen.'
'Ze hebben ons toch nodig', zei Drop. 'Ik ben een druppel loepzuiver drinkwater. Dat moet toch heerlijk zijn voor hen.'
'Tja', schokschouderde de dikke, 'dat zou moeten. Maar ik geloof niet dat ze je erg op prijs stellen. Ze gebruiken je voor alles en nog wat in plaats van je alleen maar te drinken.'
'Denk je?' probeerde Drop voorzichtig. Hij kreeg een bang voorgevoel. Maar hij vermande zich en zei:
'Nee, hoor. Met mij doen ze dat niet. Ik ben puur, ik ben gezond, ik ben drinkbaar. En bovendien heb ik in de grotten gewoond.'
'Heb jij in de grotten gewoond?' zei de dikke bewonderend. 'Dan heb je wel geluk gehad. Er zijn maar weinig druppels die dat hebben meegemaakt. De meesten van ons sijpelen gewoon de grond in tot ze niet meer dieper kunnen. En daar blijven ze staan tot ze er langs een waterput of een bron weer uit kunnen.'
'Zijn jullie dan niet drinkbaar?' vroeg Drop.
'Natuurlijk wel', schaterde de dikke. 'Daarvoor hoef je niet door de grotten te stromen. Dankzij de zandkorrels in de bodem worden wij allemaal drinkwaterdruppels. Als je dat maar weet. Maar niet voor lang meer.'
En hoofdschuddend vertrok hij naar de andere kant van de put, waar hij aan de druppels het verhaal vertelde over die nieuwe druppel die zich ook alles liet wijsmaken.
Drop zat hem nog een beetje beduusd na te kijken, toen het plots weer donker werd. Of toch bijna. Vanzelf keek Drop omhoog. De ronde lichtcirkel was nu grotendeels bedekt door een scherp afgetekende vrouwenfiguur. Drop kon niet precies zien wat ze aan het doen was. Maar ineens hoorde hij een metalen gekletter en voor hij het goed en wel besefte, kreeg hij een zinken emmer op zijn kop. De druppels spatten naar alle kanten uit elkaar.
De emmer zonk en vulde zich met water. Toen begon de vrouw boven aan een touw te trekken dat aan de emmer vastzat. Pas op het laatste nippertje begreep Drop dat ze de emmer vol water aan het ophalen was. Met een karpersprong wist hij nog net op tijd in de emmer te belanden. Langs het touw keek hij omhoog hoe de sterke handen van de vrouw de emmer naar zich toe trokken. De lichtcirkel werd steeds groter en plots was de vrouw vlakbij. Ze pakte de emmer beet en zette die naast zich op de grond. Daarbij morste ze wat water, maar Drop zorgde er wel voor dat hij in de emmer bleef. Hij had geen zin om meteen weer in de grond te sijpelen.
Toen pakte de vrouw de emmer op en stapte ermee naar binnen, de boerderij in. Nu gaat ze me drinken, dacht Drop en hij verheugde zich al op het vooruitzicht nu eindelijk de mensen te kunnen helpen.
Maar de vrouw dronk niet. In plaats daarvan goot ze een scheut zeep uit een flesje in de emmer. Drop schrok. De zeep prikte in zijn ogen en hij voelde zich op slag ondrinkbaar worden.
'Wat doe je nu?' schreeuwde hij. 'Nu kun je me niet meer drinken!'
Maar mensen luisteren nu eenmaal niet naar druppels. In plaats daarvan pakte de vrouw een harde borstel beet en schudde daarmee de waterdruppels in de emmer flink door elkaar. Drop kwam helemaal onder het schuim te zitten. Hij niesde en proestte, maar dat hielp allemaal niets. Hij werd met een flinke geut over de vloer uitgegoten. Toen ging de vrouw met hem schrobben.
Drop huilde bijna. Moest je zien hoe vuil hij werd! Al de viezigheid van de vloer loste in hem op. Tenslotte werd hij samen met een slijkerig papje in het afvoerputje geveegd. Zo kwam hij in de riool terecht.
Drop was er helemaal kapot van. Had hij daarvoor zoveel moeite gedaan om schoon en drinkbaar te worden? Hij huilde.
'Wat nu, liefje? Wat is er aan de hand?'
Een oude lieve druppel legde een arm over zijn schouder en veegde zijn neus schoon. Drop snikte.
'Kijk wat ze met me gedaan hebben?' zei hij.
Hij keek de lieve druppel aan en zag dat ze er al even vuil uitzag. Maar zij leek het niet erg te vinden.
'Ach, een pretje is het niet', zei de lieve druppel. 'Maar je leert ermee leven. Mij hebben ze net door het toilet gespoeld. Ook niet fris, hoor, als je je leven begonnen bent als drinkwaterdruppel. En daarnet zag ik nog een druppel duizelen. Die had urenlang rondjes gedraaid in een wasmachine. Tussen al die vieze kleren en die prikkende witmakers in het waspoeder. Bah! Maar kom, laten we niet treuzelen. Als we voortmaken, zijn we vandaag nog bij het waterzuiveringsstation.'
'Een waterzuiveringsstation? Wat is dat?' vroeg Drop.
'O, dat is best leuk, hoor. Het is een soort fitnesscentrum voor waterdruppels. Kom maar mee. Ik toon het je.'
Ze pakte Drop bij de hand en trok hem mee.
Na een lange, donkere tocht door gore rioolbuizen en stinkende afvalwatercollectors kwamen ze terecht in een grote verzamelbak.
'We zijn er', zei de lieve druppel. 'En we hebben geluk. Dit is een natuurlijk waterzuiveringsstation. Hier gebruiken ze geen chemische spullen of zo. Trek gauw je kleren uit en volg me maar.'
Ze trokken hun vuile kleren uit en zwommen zo snel ze konden naar de pomp die hen naar de beluchtingstanks zou voeren. Drop vond het heerlijk om zo plots opgezogen te worden. Even later belandde hij in de tank. Daar zaten de afvalvreters hem al op te wachten. Ze stortten zich met duizenden tegelijk op Drop en begonnen hem helemaal schoon te kietelen. Drop moest vreselijk lachen, want de afvalvreters krabden en kriebelden hem overal. Tegelijk kreeg hij een zuurstofkuur toegediend. Drop werd er helemaal pips van. De lieve druppel lachte hem toe en stak haar duim omhoog.
'Lekker, he!' riep ze.
Drop knikte. Je kon natuurlijk beter helemaal niet vuil worden. Maar als het toch gebeurd was, kon zo'n fitnesskuur wonderen doen.
Toen de afvalvreters hun buikje vol hadden, stroomden ze samen met de druppels naar het volgende bassin, het bezinkingsbad. Doodop lieten de vreters zich tot op de bodem zakken en deden er hun middagslaapje. Drop en de lieve druppel zagen er zo goed als nieuw uit. Toen mochten ze naar een paradijs vol water- en moerasplanten. Die haalden met hun wortels de laatste restjes vuil uit de druppels. Dat was pas heerlijk.
'Ben ik nu weer drinkbaar?' vroeg Drop toen ze van de laatste moerasplanten afscheid hadden genomen.
'Jij wel, of toch bijna', antwoordde de lieve druppel. 'Jij mag van geluk spreken dat je alleen maar zeep over je hebt gekregen. Ik zal wellicht nooit meer helemaal schoon worden, want ik heb ooit een tijdje in een ontwikkelbad van een fotograaf gewoond.'
'O, wat jammer', zei Drop.
'Ja, dat risico loop je nu eenmaal als druppel. Trek het je maar niet teveel aan. Ik heb ermee leren leven. Ik moet wel. Kom, we laten ons samen naar zee drijven. Ga je mee?'
Ze knipoogde naar Drop en samen doken ze de beek in.
Hoofdstuk 5
Naar de bron
Ook Drets kwam na zijn avontuur in de waterval in een ondergrondse waterlaag terecht. Daar was het heerlijk rustig. Drets hield daarvan. Zo kon hij nadenken over hoe mooi de wereld zou kunnen zijn, hoe zuiver.
Op een dag, toen hij al heel lang had nagedacht, voelde hij plots hoe er beweging kwam in het water. Natuurlijk bewoog het grondwater altijd. Maar meestal ging dat traag en bedachtzaam. Nu voelde hij de opwinding bij de andere druppels.
'Ik denk dat we vandaag naar buiten mogen', zei een grappig druppeltje dat het allang beu was zo in het donker te moeten zitten. Drets glimlachte. Ook hij wilde stilaan wel eens wat anders zien dan die eeuwige duisternis.
De druppels begonnen te dringen. Ze trappelden van opwinding en schaterden en klaterden over elkaar heen. En dan, toch nog onverwacht, stroomden ze ineens naar buiten.
Het was nog vroeg in de morgen. De zon stond nog niet zo hoog boven de horizon. Maar toch warmde ze het koele water al op met haar stralen. Ze liet zilveren sterretjes schitteren in de dartele druppels.
Drets voelde zich helemaal herboren na zijn lange verblijf onder de grond. Hij keek zijn ogen uit. De bron waaruit hij zopas was gevloeid, lag op een zachte, beboste helling. De bodem was zacht en veerkrachtig. Als je al van een bodem kon spreken. Drets merkte niets van rots, klei of zand. Hij rustte op een zacht bed van mos. De groene stengeltjes zaten dicht tegen elkaar aan gedrukt en hielden elkaar recht. Ze zogen zich vol met die heerlijke verse waterdruppels die uit de bron kwamen.
Waar hij ook keek, zag Drets bloemen. Zeldzame bloemen en planten die je nergens anders vond. Alleen vlakbij de bron was het zuiver genoeg voor hen. Alleen daar konden ze groeien.
Drets had zich nog nooit zo goed gevoeld. Hij snoof de heerlijke lucht op en voelde de zuurstof tot in zijn diepste binnenste tintelen. Dit was het ware leven waar hij als druppel zo vaak van gedroomd had.
Hij keek naar de bomen die hun wortels breed hadden uitgespreid in de zachte bodem. Ze gedijden prima dankzij het zuivere bronwater. Hier was de natuur nog zoals ze hoorde te zijn. Zuiver, gezond, heerlijk om in te vertoeven.
Daar ritselde wat tussen de planten. Drets stak zijn kopje omhoog om te zien wat het was. Een glimmende, vette salamander sloop naderbij op zijn te korte pootjes. Het was een vuursalamander, een hele zeldzame die je bijna alleen nog in de buurt van een bronnetje aantreft. Zwart met goudgele vlekken was hij. Die vlekken schitterden zo hard in de zon dat Drets zijn ogen halfdicht moest knijpen. Hij werd er helemaal opgewonden van.
'He, daar, salamander! Hoor je me?'
De salamander keek sloom naar de taterende druppel, maar hij zei niets. Salamanders kunnen nu eenmaal niet praten zoals druppels. Hij likte even met zijn tong aan Drets. Dat scheen hem te smaken en Drets voelde zich zeer vereerd. Daarna draaide de salamander zich om. Hij had immers geen tijd te verliezen. Hij moest dringend een paar slakken of wormen zien te vinden voor zijn ontbijt. Binnenkort zouden de zonnestralen te warm worden voor hem. Dan dook hij liever onder een wortel of in een vochtig hol om tot 's avonds te wachten.
'Dag!' zei Drets nog terwijl de salamander verdween.
Drets liet zich met het water meedrijven. Spoedig vormden alle druppels samen een piepklein beekje dat aarzelend een weg zocht door het moerassige terrein. Drets keek net achterom naar een prachtige orchidee die daar maar mooi stond te zijn, toen hij onverwacht tegen iets warms aanstootte. Hij draaide zich fluks om en zag tot zijn verbazing een hert staan dat met gespreide poten dronk uit het beekje. Hij was tegen de snuit van het hert aangebotst.
'O, hoe mooi!' zei Drets. 'Dag meneer het hert!'
Het hert had het veel te druk met drinken om naar een druppel te luisteren. Drets keek naar zijn prachtige gewei dat breed vertakt uit zijn kop groeide.
Plots richtte het hert zich op, snoof en bleef toen onbeweeglijk staan in al zijn schoonheid. Dan draaide het zich om en liep weg in gestrekte draf. Een hele tijd nog kon Drets het dier volgen terwijl op en neer veerde op de zachte bodem.
Wat was er aan de hand? vroeg Drets zich af. Waarom liep het hert zo plots weg?
Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Vanuit een smal bospaadje klonken heldere stemmetjes door de stilte. Kinderstemmen waren het. Een klas onder leiding van een juffrouw stapte naar de bron toe. Ze liepen allemaal netjes achter elkaar, zoals Indianen lopen. Op die manier vertrapten ze geen planten. De juf had immers verteld hoe kwetsbaar zo'n brongebied wel was. Je mocht daar zeker niet zomaar in rondlopen.
De kinderen hadden laarzen aan hun voeten. Hier was het immers veel te nat om met gewone schoenen doorheen te lopen. Sommige kinderen hadden een veldkijker om de hals hangen. Eentje had een fototoestel.
Toen ze nog een eindje van de bron verwijderd waren, hield de juffrouw halt. De eerste kinderen stopten meteen. De andere botsten nog een beetje tegen elkaar aan. Drets spitste zijn oren.
'Meisjes en jongens', begon de juf. 'Hier is de bron van het beekje dat we daarnet beneden hebben zien stromen. Dat is nu onze bron, de bron die we gisteren in de aardrijkskundeles op de kaart hebben gezocht. We gaan zo dadelijk de waterkwaliteit van onze bron meten. Natuurlijk kunnen we niet met zijn allen bij de bron gaan staan. Dan vertrappen we alle mooie bloemen en planten en misschien zelfs wel diertjes ook. Slechts één mag heel voorzichtig de bron naderen en een waterstaal nemen in dit flesje.'
'Ik, juffrouw, ik! Mag ik dat doen'.
De kinderen riepen door elkaar.
'Rustig maar', zei de juf. 'Iedereen krijgt een taak, hoor. Neem alvast jullie werkschriftje en schrijf op welke planten hier groeien, welke dieren je ziet, hoe het weer is. Dat is allemaal belangrijk.'
Tenslotte wees ze een klein meisje aan om het waterstaal te nemen. Die deed dat zo voorzichtig dat Drets er een beetje om moest lachen. Tja, dacht hij, als iedereen zo zou omgaan met de natuur, zou het vanzelf een paradijs blijven. Het meisje schepte met haar flesje en... gloep! Drets gleed naar binnen. Het meisje bracht het flesje naar de juf, die meteen aan het water rook.
'Wat heerlijk!' zei ze. 'Zo'n zuiver water heb ik nooit eerder gezien'.
Drets voelde zijn neus krollen van trots.
Dan haalde ze een thermometer uit haar tas en liet een lange slungelachtige jongen de temperatuur van het water meten.
Weer andere kinderen liet ze een teststrookje in het water steken. Ze moesten dan goed kijken welke kleur het stripje kreeg. Daarna konden ze aan de hand van die kleur aflezen hoeveel nitraat er in het water zat. Hoe meer nitraat, hoe sterker vervuild en hoe ongezonder voor mens en dier. Drets keek heel nieuwsgierig toe door het glas van het flesje heen en spitste zijn oren.
'Minder dan tien milligram per liter', zei het jongetje dat de test had mogen uitvoeren. 'Dat is niet veel, geloof ik'.
'Dat is heel weinig', beaamde de juf. 'Deze bron is echt nog heel zuiver. Je zou er zelfs van kunnen drinken. Jullie weten toch dat bronwater heel goed is voor je gezondheid.'
De kinderen knikten. Ze hadden de les over het water goed onthouden.
'Goed gewerkt, kinderen', zei de juf. 'Dan gaan we nu naar het bos om onze boterhammetjes op te eten.'
Terzelfder tijd goot ze het flesje leeg in de buurt van de bron. Drets spatte een heel eind weg. Toen hij eindelijk weer op zijn benen stond, draaide hij zich om en zag de kinderen netjes op een rij naar het bos wandelen.
'Mooi zo', zei Drets binnensmonds. 'Nu stap ik ook maar eens op.'
Hij liet zich meeglijden met het stroompje en genoot van het heerlijke uitzicht. Hij stroomde door bossen, dook af en toe via een klein klaterend watervalletje naar beneden of streelde de gladde huid van een kei die misschien al honderdduizend jaar in dit beekje lag.
'Wat een geduld heeft zo'n kei!' zei Drets. 'Ik zou het daar nooit zo lang uithouden.'
Dagenlang stroomde Drets door de heerlijkste stukjes natuur. Nergens zag hij ook maar het geringste spatje vervuiling. Hij had nooit gedacht dat de wereld zo mooi kon zijn.
Toen hij eindelijk bij de eerste huizen belandde, ontmoette hij ook de eerste vervuilde waterdruppels. Ach, zo erg vuil waren ze niet. En na een dag of wat meereizen met de andere druppels in het beekje, waren ze weer helemaal schoon. Het leek wel of het beekje zichzelf reinigde. Dat was ook zo. Drets zag het met zijn eigen ogen.
Pas veel later, toen hij met het water van een brede beek meereisde door een gebied waar veel mensen woonden, zag Drets voor het eerst waterdruppels die niet meer schoon te krijgen waren. Ze hadden verf over zich gekregen die een domme man zomaar in de gracht had gegooid. Hoe de planten en de andere druppels ook meehielpen, het mocht niet baten. Het zou heel lang duren voor die besmeurde druppels weer drinkbaar water zouden worden.
Toen ze de grote rivier naderden, nam het aantal van zulke besmeurde druppels steeds maar toe. Met heimwee dacht Drets terug aan zijn heerlijke plekje bij de bron. Hij had zin om terug te keren. Maar hij wist natuurlijk ook dat dit niet kon. Een druppel kan immers niet stroomopwaarts zwemmen.
Zo bereikte Drets na een lange, lange reis op een mistige winteravond de zee. Dat vond hij een heerlijk weerzien na zo'n lange tijd. Hij ging op zijn rug liggen en dobberde op de golven dieper de zee in. Hij liet zich meedrijven op zijn prachtige herinneringen. En natuurlijk vroeg hij zich ook af hoe het met Drup en Drop zou zijn. Waren die ook al weer in zee beland?
Hoofdstuk 6
Met zicht op zee
Al dagenlang waaide de wind uit het noordwesten. Hij wakkerde aan tot stormkracht en stoeide met de golven. De waterdruppels vonden dat een heerlijk spelletje. Met honderdduizenden tegelijk werden ze opgetild en weer neergesmakt. Ze zogen hun waterlongen vol zuurstof. Het witte zeeschuim joeg in dikke vlokken over de golftoppen. Het was heerlijk om daar als druppel middenin te zitten. Razendsnel zoefde je over het water. Tot je schuimvlok te pletter vloog tegen een muur van donker water en je weer versmolt met de andere druppels.
Drets was verzot op zo'n dagenlange storm. Hij vond het minstens zo prettig als reizen over land. Hij dacht terug aan de lange tijd die hij in de ondergrond had doorgebracht, bijna zonder te bewegen. Wat een verschil met nu. Aan het zeeoppervlak was het nooit stil. Zelfs bij een rustige zee kon je je laten wiegen en de hele dag op en neer gaan in het zonnetje. Maar storm was het leukst van al. Het leek wel een kermisattractie. Lekker wild. En als je duizelig werd van al dat draaien en slingeren - Drets had dat bijna nooit - dan liet je je gewoon naar beneden zakken. Een paar meter onder het zeeoppervlak was het water alweer rustig. Dan kon je je laten meedrijven op onderzeese stromingen en zo ook de hele wereld afreizen.
Sinds hij weer in zee leefde, had Drets maar één zorg: hij wilde weten hoe het met zijn reisgenoten van weleer was. Overal waar hij kwam, vroeg hij of iemand soms Drup of Drop had gezien.
Op een keer had hij een dikke druppel ontmoet die Drop gekend had.
'We hebben ooit nog samen in een waterput geleefd', zei hij. 'Maar ik vond hem maar een rare. Hij was zo'n halfzachte druppel die dacht dat het hele leven rozengeur en maneschijn was. Ik heb hem met zijn neus op de werkelijkheid gedrukt. Hij droomde van een bestaan als drinkwater, maar ik wed dat ze hem door het toilet hebben gespoeld of er de auto mee hebben gewassen.'
'Heb je een idee waar hij nu zou kunnen zijn?' probeerde Drets, die al medelijden voelde met die arme Drop.
'Niet het minste', antwoordde de dikke. 'Hij heeft in elk geval geen adres achtergelaten. Hahaha, een druppel met een adres. Dat is een goeie.'
En luid schokkend en schaterlachend om zijn eigen grapje verdween de dikke met een grote, bruisende golf.
Drets had het al opgegeven ooit nog een van zijn vriendjes terug te zien, toen hij op een goede dag, bij het dansen op een golftop, tegen Drup aanbotste.
'O, pardon, meneer', zei Drets.
'Drets! Jij bent Drets toch, he.'
'Drup! Jij hier! Ik heb je overal gezocht.'
Het werd een blij weerzien voor Drets en Drup. Ze vertelden honderduit over hun reis. Hun paden waren uit elkaar gegaan sinds Drup van de kop van de koe in de sloot was gevallen. Drup praatte over zijn ongelukstocht en over al de vervuiling die hij op het land had gezien. Drets was haast verlegen over het mooie leventje dat hij had gehad. Hij vertelde van de bron en van het hert en van de kinderen. Drup keek hem met jaloerse oogjes aan. Al gunde hij het Drets wel.
'Ik heb blijkbaar pech gehad', zei hij spijtig.
'Ja, dat denk ik er ook van', antwoordde Drets.
'En Drop, hoe is het daarmee verlopen?' vroeg Drup.
'We hebben nog een tijdje samengereisd', zei Drets. 'Maar op een keer, midden in een waterval, zijn we elkaar kwijtgeraakt. Ik had zo met Drop te doen. Hij was zo graag bij me gebleven. Maar ja, dat heb je natuurlijk niet in de hand als druppel.'
'Nee', schudde Drup. Dat wist hij maar al te goed.
'Ik wou dat ik Drop terugvond', droomde Drets voor zich uit.
'Ik ook', zei Drup.
Een tijdje dreven ze zachtjes naast elkaar over de golven.
'He', zei Drup opeens. 'Als we hem nu eens gaan zoeken.'
'Dat doe ik al sinds ik weer in zee ben', zei Drets een beetje hopeloos. 'Maar het is onbegonnen werk. Er zijn miljarden druppels. Je komt ze nooit allemaal tegen.'
'Nee, natuurlijk niet', antwoordde Drup. 'Je moet goed nadenken en heel gericht zoeken. Ik ben er zeker van dat je Drop niet vindt hier midden op zee.'
'Waarom niet?'
'Je weet toch hoe hij op mensen gesteld was', ging Drup verder. 'Volgens mij hangt hij ergens aan de kust uit. In elk geval ergens waar veel mensen zijn.'
'Misschien heb je wel gelijk', zei Drets. 'We kunnen het in elk geval proberen.'
En dat deden ze. Ze lieten zich met een grote golf naar de kust voeren. Dat duurde vele dagen, want ze zaten erg diep in zee. Toen ze op een bloedhete zomerdag bij de kust aankwamen, zat het strand er boordevol mensen.
'Moet je nu kijken', zei Drets. 'Zoveel mensen bij elkaar. Ze liggen daar maar in hun bijna-blootje te zonnen. Of ze zwemmen in ons. Ik voel me niets op mijn gemak met zoveel mensen rondom mij.'
'Hoe meer mensen, hoe groter de kans dat we Drop hier ergens vinden', antwoordde Drup.
Drets knikte.
'Opzij! Opzij! Ze zitten achter mij aan!'
Een grijze garnaal stoof voorbij. Vlak achter hem aan liep een meisje met een garnalennetje. Er was geen ontsnappen meer aan. Drup en Drets zagen hoe het diertje in het net verdween, waar al heel wat garnalen in gevangen zaten. Het kind tilde het net uit het water en daar hingen de garnalen in de lucht te zweven.
Drop en Drets waren nog niet van hun verbazing bekomen toen ook zij werden opgeschept in een blikken emmertje. Even later schudde het meisje de garnalen in de emmer. In paniek zwommen ze rond.
'He, Drets! He, Drup! Wat doen jullie hier?'
'Drop! Wat een toeval! Dat we elkaar hier weer ontmoeten!'
De drie druppels wisten niet waar ze het hadden. Eindelijk weer samen, zij het in een klein blikken emmertje met zeewater waarin garnalen rondzwommen. Natuurlijk hadden ze elkaar veel te vertellen. Drop vertelde het hele verhaal over zijn tocht langs de waterput en door het zuiveringsstation en luisterde ook naar de verhalen van de anderen.
Toen ze elkaar alles hadden verteld, bleven ze even stil bij elkaar zitten. De garnalen waren nu ook rustig geworden.
Drop zuchtte en keek zijn vriendjes aan.
'De mensen hebben er wel een troep van gemaakt', zei hij.
De anderen knikten langzaam.
'Kunnen we daar dan niets aan doen?' vroeg Drop. 'Zo maken ze de hele aarde kapot. Dat kunnen we toch zomaar niet laten gebeuren.'
'Wat kunnen wij daar nu aan doen?' zei Drup gelaten.
Drop haalde zijn schouders op. Hij wist het ook niet. Maar hij vond dat ze wel iets moesten doen.
'Ik heb misschien een idee', zei Drets.
De anderen keken hem hoopvol aan.
'Als we ons verhaal nu eens vertellen aan iedereen die het wil horen. Aan alle kinderen op de wereld bijvoorbeeld. Aan alle mensen van goede wil. Misschien weten zij niet eens hoe ongezond al die vervuiling is. Misschien beseffen ze niet eens hoeveel drinkwater ze eigenlijk verspillen.'
Drup keek naar Drets.
'Zouden ze naar ons willen luisteren?' vroeg hij.
'We kunnen het toch proberen', zei Drop, die zoals altijd wilde helpen.
'Goed', zei Drets. 'Laten we opnieuw naar het land reizen. We maken een grote reis langs alle plaatsen waar water is, van de bron tot de monding van de rivieren. En onderweg vertellen we aan de mensen hoe heerlijk het is en hoe gezond schoon drinkwater is. Het moet lukken. Laten we het vooral aan de kinderen vertellen. Die willen nog naar ons luisteren. Die kijken niet vreemd op als een druppel tegen ze praat. Als we hen kunnen overtuigen, verandert de wereld vanzelf. Zij hebben immers de toekomst in handen.'
De anderen vonden het een prima plan. Spoedig stonden ze alledrie te popelen van ongeduld om aan een nieuwe tocht over het land te beginnen.
En toen kwam de moeder van het garnalenmeisje hen een handje helpen. Ze nam het emmertje op en goot de inhoud met garnalen en water tezamen in een grote kookpot. Die zette ze op het vuur. Het duurde niet lang voor het water aan de kook raakte. De garnalen zweetten zich kapot en kregen langzaam een roze kleur. Maar de waterdruppels dansten van de pret op en neer in de kookpot.
'Het lukt ons', riep Drop. 'Ik voel het.'
'Ik word helemaal ijl in mijn hoofd', zei Drup.
'Ik zweef!' zei Drets.
Even later veranderden onze drie druppels in waterdamp. In een sierlijk sliertje dreven ze door de keuken. Ze zweefden naar buiten door het openstaande raam en even later schoten ze pijlsnel de lucht in op weg naar de wolken. En daar begon het verhaal van voren af aan.
|