Bye bye my summerlove
© Willy Schuyesmans, 1989
Soepheet is die bus. En schokken! Zou die chauffeur dan nooit? Voelt
dat natuurlijk niet in die hoge zetel. De brief herlezen. Ik ken hem bijna
van buiten. Het blauwe papier heb je nog van mij gejat. Mijn tas op het
zand omgekeerd. Ik woest. Zonnemelk gemorst op mijn badhanddoek. Witte
gladde spetters. En mijn elastiekjes rondgestrooid. Drie nooit teruggevonden.
En mijn spiegeltje, mijn slipje, mijn pennen, mijn tampons, mijn fototoestel.
Bang dat er zand in zal geraken. En jij maar zwaaien met mijn briefpapier.
Kwaad op jou. Meer omdat je al mijn spullen zomaar tentoonspreidt. Alsof
je mezelf binnenstebuiten had gekeerd. Maar dan is het weer goed. Je handen
vol zonnemelk op mijn rug. Je sterke knieën in mijn lenden. Het briefpapier
hou ik als aandenken, zeg je. Ik lach alweer. Je fluistert dat je van
me houdt op de newbeat-cadans van je cassetterecorder. This is the sound
of C.
Je hanepoten op het bleekblauwe papier. De inkt is watervast. Opengekrabd.
Kijk wezenloos voor me uit. De man naast me vouwt zijn krant open. Trouwring
goud tussen goudgele vingers. Uitgerookt. Uitgeraakt. Baby komt er met
de schrik van af. Uit het raam van de eerste verdieping gevallen. Zo heet
als op het strand met jou. Het schuifraampje belooft koelte. Blijft dicht.
Of we gaan zwemmen. De zoute smaak op je tong. De golven die je dragen.
Je hand om mijn middel in een poging om lachend overeind te blijven. This
is the sound of sea. De krachtige armslagen waarmee we naar de reddingssloep
zwemmen. Jij crawlt. Ik raak achterop. Doe nooit schoolslag in de vakantie.
Je lacht me uit van op de rand van de sloep. Steekt je hand uit en trekt
die weer in als ik. Maar op de terugweg ben je bezorgd. Je kan toch nog.
Zal ik je helpen. Ik wacht wel. Op het strand droog je me af met je handdoek
en kamt mijn haren. Zo voorzichtig. Lach erom. Ik wil je geen pijn doen.
De brief doet pijn. Lees hem nog eens. Je moet niet denken dat. Leuke
tijd geweest. Onmogelijke liefde. Veel te ver. Volgend jaar misschien.
Een postzegel met toeslag. Voor een goed doel. Alsof jij.
Ik mag mijn ijsje niet betalen. Het terras op de dijk. Dame blanche,
zeg je. Zoals jij, maar dan met de chocolade erop. Er zitten krasjes op
de lange zilveren lepels. Een geheime code, zeg je. Zoals de lijnen in
je hand. Je zoekt met je wijsvinger leven en lot in mijn palm. Ik zie
twee duiven. Nestwarmte. Later. Je zoen blijft duren. Je hebt al een beetje
baard. Gekscheert. En heel soms blijft je stem haperen.
De man naast me belt. Staat op. Ik bijt op mijn onderlip en schuif naar
het raam. Zet me schrap als de bus stopt. Ik schik mijn schooltas tussen
mijn voeten. Een dikke vrouw drukt me tegen het raam. De boodschappenmand
op haar knieën puilt uit. Horen van overvloed.
Je koopt een geschenk voor me. Er is geen ring met de eerste letter van
je voornaam. Je kiest een haarspeld. Gekleurd leer met een houtje door.
Nooit knippen, dat lange haar van je, zeg je in mijn oor. Je legt het
om je eigen schouders en drukt er een kusje op. Je brengt me naar het
appartement van tante. Ik mag 's avonds de deur niet meer uit. Ben daar
laaiend over. Maar jij begrijpt het. Je gaat nog even naar de club. Alleen.
Ik zoek er niets achter. Vertrouw je. Ben geen jaloers type. Alleen kwaad
dat ik zelf niet buiten mag.
Rode lichten knipogen gevaar.
De eindeloze avond breng ik door met Monopoly en Scrabble. Verlies altijd,
want mijn gedachten zijn bij jou. Tante denkt dat ik ziek ben. Gelooft
dat ik teveel zon. Maar 's morgens wacht je op de hoek en je draagt mijn
badtas en je ruikt naar de aftershave van je vader en je zoent me en we
praten over later en je wilt zes kinderen drie jongens en drie meisjes
een tafel vol zeg je en je verzint namen voor ze en de meisjes moeten
op mij lijken met haren zo lang zo lang het duurt nog zo lang en we moeten
wachten wachten wachten.
Eindelijk dendert de trein voorbij en tergend langzaam draaien de slagbomen
omhoog. Ik snik en de bus schokt weer in gang. Ik hoop dat mijn tranen
verdampen. Blauw is de zee. Is je brief. Hanepoten. Denk dat het voor
ons allebei beter is als ik het uitmaak. Die verdomde hanepoten van je.
Morgen ga ik naar de kapper.
|