|
Naam
Willy Schuyesmans.
Woonplaats
Nijlen (België), pal in het midden tussen Herentals en Lier.
Geboren
Ja, in Oostende.
Lengte
176 cm.
Kleur van de ogen
Groen.
Haar
Grijs.
Baard
Ook grijs.
Levensmotto
Het moet een bezigheid blijven; 't mag niet in werk ontaarden!
(met dank aan Jakob Jumbo Boogerman)
Hobby's
Lezen - wandelen - gregoriaanse muziek - film kijken - theater
Getrouwd?
Ja, met Rita de Roeck, sinds 1971.
Kinderen
Soetkin (1975), Krispijn (1977), pleegdochter Lutgarde (1965)
Geliefdste jeugdboek
Mansoor, of hoe we Stina bijna doodkregen (Bart Moeyaert, 1996)
Geliefdste film
Underground (Emir Kusturica, 1995)
Geliefdste cd
I recitativi della chiesa primitiva (Nova Schola Gregoriana, Alberto Turco)
Geliefdste toneelstuk
Ten oorlog (Tom Lanoye, Luk Perceval, 1998)
Liefste vakantie
Een paar dagen op adem komen in de Chambre d'hôtes van mijn nichtje in Bretagne met de sprookjesachtige naam La maison blanche aux volets bleus.
Liefste wens
Mij elke ochtend mijn dromen herinneren
|
|
|
Levensloop
Ik werd geboren aan zee, in Oostende om precies te zijn. Dat was op 11 juni 1945. De oorlog was net gedaan. Toen ik acht jaar oud was, overstroomde Oostende. Ik weet nog hoe ik met mijn vader naar de dijk ging om te kijken naar de golven die tegen de stenen beukten. Hele stukken van de dijk waren gewoon weggeslagen. Sinds die dag kijk ik met ontzag naar de zee.
Korte tijd later verhuisden we naar Antwerpen. Ik was nog nooit in zo'n grote stad geweest en ze spraken er zo raar. In de klas lachten ze me uit omdat ik geilig zegde in plaats van heilig. Met heel veel moeite heb ik die West-Vlaamse aangeblazen 'h' afgeleerd. Tegelijk werd taal heel belangrijk voor mij. Ik wilde van elk woord precies weten hoe je het uitsprak, hoe je het schreef, hoe je het gebruikte. Ik maakte graag opstelletjes en - al zeg ik het zelf - die waren vaak best aardig.
Niet dat ik er in die tijd al aan dacht om schrijver te worden. O, nee. Ik wilde de zee op, gaan varen. Net als mijn oom Roger. Die voer de hele wereld rond en dat wilde ik ook. Veel zei hij niet, oom Roger. Maar aan zijn spaarzame woorden voelde ik dat hij veel van de wereld gezien had.
Toen ik vijftien was, wilde ik ineens missionaris worden. Nog steeds die verre landen dus, maar dan met een ander doel. Goed, ik heb het geprobeerd. Na mijn humaniora stapte ik het klooster van de paters Dominicanen binnen. Drie jaar heb ik het daar uitgezongen en ik heb nog goede herinneringen aan die dagen. Maar dan ontdekte ik dat de wereld niet alleen uit jongens bestaat en dus trok ik de kloosterdeur weer achter mij dicht.
Pas toen kwam het idee bij me op om journalist te worden. Schrijven deed ik nog altijd graag. En met het zien van de wereld zou het ook wel loslopen als journalist, dacht ik. Je mag rustig aannemen dat de journalistiek me beviel, want vandaag, veertig jaar later, verdien ik er nog mijn brood mee. Sinds 1988 is daar ook het schrijven van jeugdboeken bij gekomen.
Dat kwam zo: in 1985 had ik in Rwanda een interview met Dian Fossey, de dame uit Gorilla's in de mist. Vijf dagen na mijn interview, op tweede kerstdag 1985, werd Dian Fossey vermoord. Mijn interview was meteen haar laatste geweest. Ik had in het Park der Vulkanen ook verscheidene keren de gorilla's bezocht en geobserveerd. Die dieren hadden zo'n diepe indruk op mij gemaakt, dat ik besloot er een boek over te schrijven. Dat werd De zilverrug en het vertelt het verhaal van een jongen die in een dorp aan de rand van het park woont en bij toeval met de gorilla's in contact komt. Uitgeverij Altiora in Averbode gaf mijn boek uit en meteen had ik de smaak ervan te pakken. Het jaar daarop schreef ik De huilers naar aanleiding van een reportage over zeehonden in de Waddenzee die stierven aan een vreemde ziekte.
Toen kwam Tand om tand, een boek over de handel in bedreigde diersoorten. Ik werkte daarvoor samen met het Wereldnatuurfonds en met hun organisatie Traffic. Het boek werd tweemaal bekroond door de verschillende kinder- en jeugdjury's. Later maakte ik er ook een toneelstuk van dat door het Koninklijk Jeugdtheater (KJT) in Antwerpen werd gespeeld, deels op een schip, deels in een loods aan de haven.
Je hebt intussen al begrepen dat de natuur heel belangrijk is voor mij. Ik kan ontzettend genieten van een wandeling in een gebied vol planten en dieren. Ik ben meerdere keren op safari geweest in Afrika, maar ik kijk met evenveel belangstelling naar een koppeltje mussen dat hier buiten mijn raam in een plas aan het baden is of naar de groene specht die aan de beuk in mijn tuin hangt.
Wat ik voor de natuur voel, heb ik trachten weer te geven in mijn vierde boek Braam. Eigenlijk is het een sprookje over een aanstaande moeder die uit de beschaafde wereld wegvlucht naar het bos en daar haar kind baart dat ze Braam noemt. Ze wil Braam opvoeden met alleen maar natuur om zich heen. Maar dat lijkt uiteindelijk niet zo makkelijk te zijn als ze zich had voorgesteld. Hoewel dat verhaal volledig verzonnen is, heb ik er wel voor gezorgd dat alle informatie over de natuur helemaal klopt. Je kunt bijvoorbeeld veilig alle wilde planten opeten die Braam in mijn boek eet.
Na Braam kwam de zee weer opzetten, mijn oude liefde. Als kind had ik al geboeid geluisterd naar de verhalen over de Belgische zuidpoolexpeditie van commandant De Gerlache in 1896. In De winter van de Belgica vertel ik de geschiedenis van die expeditie, gezien door de ogen van matroos Jan van Mirlo die de hele drie jaar durende reis meemaakte. Ze raakten vast in het poolijs en waren verplicht er te overwinteren. Pas tegen het einde van de volgende zomer konden ze hun schip loswrikken en zo uit de greep van het ijs ontsnappen. Voor dat boek heb ik veel opzoekingswerk gedaan, onder andere in het Scheepvaartmuseum in Antwerpen, waar alle documenten over deze avontuurlijke ontdekkingsreis bewaard worden. Dit boek werd in 1995 bekroond met de Karel Barbierprijs voor een historische roman geput uit de eigen geschiedenis.
Dan kwam De bende van mol, een boek voor jongere kinderen, vanaf acht, negen jaar. Het is een echt milieuverhaal dat speelt in een dorpje ergens in Vlaanderen. Drie jongens en een meisje vormen een bende die voor het milieu opkomt. Ze ontdekken allerhande duistere zaakjes en slagen er ook in om die op te lossen. Puur verzonnen avontuur, maar heel prettig om te schrijven. Het leukste eraan was ongetwijfeld dat ik er begin 1994 de manuscriptenwedstrijd van Altiora mee won. In 1997 verscheen Brand in de Tikkebossen, een nieuw verhaal van de Bende van de mol.
Mijn volgende boek schreef ik voor jongeren vanaf dertien jaar. Het heet Ariadne en eigenlijk is het een liefdesverhaal. Ik kwam op het idee om Ariadne te schrijven na een reis op Kreta. Dat is een prachtig eiland in de Middellandse Zee. Ik raakte er vooral geboeid door de vele opgravingen van paleizen, tempels, steden en havens uit de tijd van koning Minos. Dat is zo'n drieduizend vijfhonderd jaar geleden. Voor deze opgravingen wisten we van die beschaving nauwelijks meer dan wat de blinde Griekse dichter Homeros erover had verteld in een paar mythische verhalen.
Zo was er het verhaal van Ariadne, de dochter van de koning, die de Griekse held Theseus hielp om zijn weg te vinden in het labyrint. Middenin deze doolhof woonde de Minotaurus, een dier, half mens, half stier, dat elk jaar een mensenoffer verslond, bestaande uit veertien jongens en meisjes uit Athene. Dat verhaal boeide me zo dat ik me ging afvragen of het echt alleen maar een verhaal was. Dat mensen met stierenkoppen ooit bestaan zouden hebben, geloofde ik natuurlijk niet. Maar helemaal uit de lucht gegrepen kon zo'n mythe toch ook niet zijn. Dus ging ik alles lezen over de opgravingen, over het dagelijkse leven in Knossos, over de tijdrekening van koning Minos en nog veel meer. En toen begon ik mijn eigen Ariadne-verhaal te verzinnen. Ik trachtte mij voor te stellen hoe het allemaal echt zou kunnen gebeurd zijn. Zo werd het niet langer een verhaal over mythische figuren, maar over mensen van vlees en bloed.
En ik ging nog een stap verder: ik maakte er een dubbelverhaal van. Een stuk van deze roman speelt namelijk in onze tijd, waar een moderne Vlaamse Ariadne, met haar ouders op vakantie op Kreta, een knappe, jonge Griek ontmoet, die toevallig (?) ook Theseus heet. Tussen die twee klikt het en dat is meteen het begin van een heerlijke vakantieliefde. Zo lopen de twee verhaallijnen parallel aan elkaar. En weet je wat ik dacht tijdens het schrijven? Ik dacht: op drieduizend vijfhonderd jaar is er op Kreta ontzettend veel veranderd. Maar de liefde tussen twee jonge mensen is nog altijd precies dezelfde gebleven.
Mijn boek Stilstaan is ontstaan nadat op een droevige dag in 1994 een fan van me - laat ik hem Benjamin noemen - plotseling stierf aan een hartstilstand. Zijn moeder stuurde me een briefje, waarin ze me vertelde hoezeer haar zoon van mijn boeken gehouden had. Ik ben met de ouders en de zus van Benjamin gaan praten. Dat was zo'n diepe ervaring dat ik dacht: laat ik daar een boek over schrijven. Nu denk je misschien dat dit een droevig boek geworden is, maar dat was zeker niet mijn bedoeling. Het is een boek geworden over een gewone jongen van tien. Het enige verschil met andere jongens van tien is dat hij dood is. Kinderen die het boek gelezen hebben vinden het soms bizar, maar altijd boeiend. Volwassenen vinden het dan weer prachtig omdat zo'n boek het makkelijker maakt om met kinderen over de dood te praten. In januari 2004 gaf Davidsfonds/Infodok het boek Stilstaan opnieuw uit.
In februari 2003 creëerde het Duitse Poppentheater Waidspeicher een theaterversie van Stilstaan. Het boek was al eerder als Adieu Benjamin in het Duits vertaald.
Mijn boek Morgen dood ik een leeuw is een makkelijk-lezen-boek voor 14-jarigen. Het vertelt het verhaal van een Masaï-jongen die, om volwassen te worden, zijn moed moet bewijzen door een leeuw te doden.
In 1998 maakte ik nog een makkelijk-lezen-boek voor 10-jarigen dat in dezelfde reeks verscheen. Het heet Jan zegt nooit wat en vertelt een verhaal over een dikke jongen die op school gepest wordt.
In het voorjaar 2001 verscheen mijn boek Middernachtzonde. Het is een boek voor wie 14 is of ouder en vertelt het verhaal van een vakantieliefde tijdens een natuurreis naar Noorwegen. Maar jaloezie en egoïsme maken het prille geluk kapot.
In het voorjaar 2002 verscheen De ogen van de tiran dat het oude verhaal van toneelauteur Sophocles over Oedipus navertelt. De Griekse prins Oedipus kreeg van het orakel van Delphi te horen dat hij zijn vader zou vermoorden en met zijn moeder trouwen. Een verhaal over het noodlot dat te mooi is om vergeten te worden.
Een jaar later verscheen Antigone's keuze bij Uitgeverij Davidsfonds/Infodok. Dat is het vervolg op De ogen van de tiran en gaat over de dochter van Oedipus, Antigone. Voor haar telt vooral de familieband met haar broer. Wet en gezag kunnen haar niet tegenhouden. De wetten van het geweten wegen immers zwaarder. Ze moet en zal haar broer begraven, ook al heeft koning Kreon dat verboden. En dan slaat het noodlot onverbiddelijk toe.
Zo, dat zijn mijn boeken. Maar misschien willen jullie ook nog iets over mijn huisgezin weten. Ik ben in 1971 getrouwd met Rita De Roeck, die thuisverpleegster is. Rita en ik hebben twee kinderen. De oudste heet Soetkin. Ze werd in 1975 geboren en is in 1999 in Gent afgestudeerd als bio-ingenieur. Ze woonde een jaar in Zweden, maar werkt nu weer in Vlaanderen. De jongste heet Krispijn. Hij werd in 1977 geboren en werkt bij theater- en balletgezelschappen waar hij voor de belichting en het geluid instaat. Ten slotte hebben we ook nog een pleegdochter Lutgarde, die pas bij ons kwam toen ze zestien was en intussen allang op eigen pootjes staat, al komt ze nog regelmatig op bezoek. Lutgarde is boekhoudster.
|
|
|
Chronologisch

Willy Schuyesmans
- stapt in de wereld op 11 juni 1945 te Oostende.
- verhuist in 1953 met de familie naar Antwerpen.
- leert met veel moeite het aanblazen van de 'h' af op het Sint-Norbertusinstituut aan de Amerikalei te Antwerpen.
- studeert daar in 1963 met vrucht af in de Moderne Humaniora, economische afdeling.
- aarzelt op dat moment nog tussen een loopbaan als zeeman, journalist of missionaris.
- kiest aanvankelijk voor het laatste en volgt noviciaat en twee jaar filosofie bij de paters Dominicanen te Gent en te Leuven.
- vindt dat uiteindelijk toch weer niet zo'n goed idee, verliest godsvrucht en pij, maar behoudt de liefde voor Gregoriaanse muziek.
- dient in 1967 het vaderland bij de transmissietroepen.
- stapt op 1 februari 1968 recht van de kazerne de journalistiek binnen bij de weekbladen van de Standaardgroep. Werkt na een korte stage anderhalf jaar voor Zondagmorgen.
- is erkend als beroepsjournalist sinds 1969 onder het nummer N663.
- is lid van de Vlaamse Vereniging voor Journalisten (VVJ)
- is in juni 1969 aanwezig bij de geboorte van TV-ekspres, dat de Zondagmorgenredactie geruisloos opslokt.
- trouwt op 16 maart 1971 met Rita De Roeck - die hem overigens nog steeds verwent - en zorgt samen met haar voor Soetkin en Krispijn en pleegdochter Lutgarde, nu alledrie allang de deur uit.
- stempelt in 1976 drie dagen na de faling van De Standaard en wordt dan weer opgevist door NV Perexma om precies hetzelfde werk te doen als voorheen: schrijven voor TV-ekspres.
- specialiseert zich meer en meer in het schrijven van populair-wetenschappelijke artikels, maar heeft ook een speciaal boontje voor natuur en milieu, gezondheidsvoorlichting en -opvoeding, sociale problemen en toerisme.
- heeft op 21 december 1985 te Karisoke in Rwanda het laatste interview met gorilla-onderzoeker dr. Dian Fossey, vijf dagen voor ze daar vermoord werd. Brengt daar uitgebreid verslag over uit in binnen- en buitenlandse pers, op radio en tv.
- schrijft van 1971 tot 1988 op freelance basis min of meer regelmatig scenario's voor tv-programma's als SOS-Natuur, Open School (handboek bij de cursus 'De natuur rondom ons'), de pvba Elektron, Leven en laten leven en Allemaal Beestjes.
- werkt in die tijd freelance voor diverse bladen.
- treedt op 1 september 1988 in dienst bij VTB-VAB om daar de eindredactie te doen van Uit-magazine en Auto.
- wordt op 1 augustus 1989 hoofdredacteur van het vernieuwde Uit-magazine, een versmelting van de vroegere Uit en Auto. Samen met redactie en lay-out bouwt hij dit vrijetijdsmagazine uit tot een volwaardig journalistiek product.
- verlaat in november 1991 Uit-magazine en leeft sindsdien uitsluitend van zijn pen als freelance journalist en jeugdschrijver. Levert toeristische bijdragen voor Feeling, wetenschappelijke voor Eos-magazine, medische voor Fit & Gezond, onderwijsartikels voor Brug (VCOV), jeugdbijdragen en internetuitbreidingen voor iD-magazine en Zonneland (Averbode) en artikels over het internet voor Indicator en voor Clickx.
- wordt freelance hoofdredacteur van Brug, het ledenblad van de Vlaamse Confederatie van Ouderverenigingen (VCOV).
- schrijft in zijn vrije tijd jeugdboeken voor uitgeverijen Averbode, Kok Educatief en - sinds 2002 - voor het Davidsfonds/Infodok. Verscheidene boeken worden bekroond door de Kinder- en Jeugdjury's (KJJ en KLJ). De winter van de Belgica werd in 1995 bekroond met de Karel Barbierprijs voor een historisch werk van eigen bodem door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren.
- bouwt van begin 2000 tot eind 2003 zijn persoonlijke website uit tot een heuse Portal Jeugdliteratuur met dagelijks nieuws over jeugdliteratuur, meer dan 4000 links naar auteurssites en nog veel meer. Alleen al in 2003 ontving die Portal 75.000 bezoekers. Helaas kon deze zeer arbeidsintensieve website niet blijven bestaan toen bleek dat er onvoldoende subsidie voor te vinden was. Op 22 december 2003 verdween de Portal Jeugdliteratuur van het internet.
- neemt vanaf 15 mei 2004 de draad weer op, maar nu op de website van Villa Kakelbont, waar hij elke dag nieuws over jeugdliteratuur verzorgt. Nu echter met subsidie van het Vlaams Fonds voor de Letteren en Stichting Lezen.
|
|