De hele negende eeuw bloeit de liturgische cultuur in Metz. Karel de Grote is zo verrukt door die muziek, dat hij ze niet alleen naar zijn keizerlijke hofkapel in Aken laat overbrengen, maar vanaf 789 voorschriften uitvaardigt aangaande liturgie en kerkzang die in alle Frankische kerken moeten gevolgd worden. Hij stelt Metz als voorbeeld van wat en hoe gezongen moet worden. Hij aarzelt zelfs niet om in te grijpen in gezangen of liturgie als hij dat nodig acht. Als hij Byzantijnse gezanten na de Driekoningendienst hun eigen gezangen hoort zingen, vindt hij die zo mooi dat hij ze meteen uit het Grieks laat vertalen en in de liturgie laat opnemen, waardoor die afwijkende melodieën ook voor ons bewaard bleven.
¶Eén ding is zeker: Karel de Grote hield van muziek. Hij kende zowat het hele Gregoriaanse repertoire van die tijd uit zijn hoofd en zong dapper mee in zijn hofkapel. Maar evengoed was hij de opdrachtgever en wat we nu sponsor zouden noemen van eerder muziektheoretisch werk, zoals de indeling van het repertoire in de acht kerktonen, die overigens uit het Griekse toonstelsel, de oktoëchos, werden overgenomen. Wellicht was de eerste bedoeling hiervan een systeem te ontwerpen dat de overzichtelijkheid van het repertoire moest verbeteren. Door elk gezang onder te brengen in een stelsel van viermaal twee toonsoorten, elk met hun eigen psalmformules, hadden de zangers meer houvast bij het memoriseren.
¶Hiermee raken we een van de belangrijkste kenmerken aan van het Gregoriaans voor de tiende eeuw: het was een uit het hoofd geleerde muziek, een orale traditie. De zangers hadden alleen de tekst ter beschikking, maar de melodieën werden op het gehoor nagezongen en zo van generatie op generatie overgeleverd. Zo zijn ongetwijfeld ook de vele regionale verschillen en tradities ontstaan. Voor een Schola Cantorum met beroepszangers in het Vaticaan of in de kathedraal van Metz was dat niet zo'n probleem. De zangers waren immers elke dag met de Gregoriaanse melodieën bezig. Nu Karel de Grote het gebruik van de kerkzang ook verplicht stelde voor elke parochiekerk, was dat wel even anders. Vaak ging het hier immers om gelegenheidszangers, die al blij waren als ze de gezangen van enkele grote feesten uit het hoofd kenden. Wellicht is dat mee de aanzet geweest tot de eerste muzieknotatie.