| N° | Mod. | Index | Track | Time |
|---|---|---|---|---|
| 01 | Kyriale | Gloria I (Bruno Stäblein) | 02:31 | |
| 02 | Responsorium breve | Scapulis suis (Antiphonale Monasticum) | 00:48 | |
| 03 | Psalmus | In exitu Israel (Rouen) | 01:12 | |
| 04 | Invitatorium | Adoremus regem apostolorum (reconstr. Karlsruhe) | 01:33 | |
| 05 | Kyriale | Credimus (Albi) | 03:56 | |
| 06 | Improperia | Popule meus (Klosterneuburg) | 07:00 | |
| 07 | Antiphona Graeca | O quando in cruce (Benevento) | 02:05 | |
| 08 | Varia | Pater noster I (Monte Cassino) | 01:34 | |
| 09 | Antiphona ad Mandatum | Vos vocatis me (St. Yrieix, Albi) | 03:55 | |
| 10 | Antiphona ad Mandatum | Cena facta (St. Yrieix, Albi) | 04:11 | |
| 11 | Antiphona ad Fractionem | Emitte Spiritum (St. Yrieix) | 02:38 | |
| 12 | Antiphona ad Mandatum | Ante diem festum (Dijon) | 04:16 | |
| 13 | Graduale | Domine, prevenisti (reconstr.) | 03:31 | |
| 14 | Kyriale | Gloria 2 (Leipzig) | 02:20 | |
| 15 | Responsorium breve | Surrexit Dominus (Graz) | 01:21 | |
| 16 | Invitatorium | Ascendens Christus (Worcester) | 01:00 | |
| 17 | Varia | Pater noster 2 (Verdun) | 01:31 | |
| 18 | Hymnus | Pange, lingua (reconstr. Nevers) | 02:46 | |
| 19 | Antiphona ad Mandatum | Si ego, dominus (St. Yrieix) | 01:27 | |
| 20 | Graduale | Exurge, Domine (reconstr.) | 04:32 | |
| 21 | Antiphona | Virgo hodie fidelis (reconstr.) | 01:39 | |
| 22 | Antiphona | Inter natos mulierum | 00:56 | |
| 23 | Antiphona | Pulchra es | 01:16 | |
| 24 | Antiphona | Cum inducerent | 02:22 | |
| 25 | Antiphona | Hodie Christus natus est | 02:12 | |
| 26 | Responsorium | Solem iusticie (reconstr.) | 04:10 | |
| 27 | Kyriale | Gloria 3 (Graduale Romanum) | 02:13 | |
| 28 | Graduale | Angelis suis (reconstr. Laon) | 05:07 | |
| 74'52" | ||||
| Het gallicaans was de liturgie van het voor-Karolingische Gallië. Er is ontzettend weinig over geweten, zelfs niet over de oorsprong ervan. Mogelijk waren de gallicaanse gezangen ontstaan uit een lokale ontwikkeling van een primitieve Romeinse liturgie die eeuwenlang in afzondering is gebleven en daardoor nogal afweek van de gezangen die in de negende eeuw in Rome gezongen werd. Wat we wel weten is dat in 753 bisschop Chrodegang van Metz met een aantal Frankische gezanten naar Rome trekt om daar paus Stefanus II uit te nodigen voor een reis naar het noorden. Tijdens zijn verblijf in Rome raakte Chrodegang in de ban van de rijke pauselijke statio-liturgie. Dat was nog eens wat anders dan het liturgische zootje in zijn eigen kathedraal, moet de bisschop gedacht hebben. Zijn voorganger Bonifacius had tien jaar eerder al een vernietigend rapport geschreven over de belabberde toestand van de Frankische kerk die helemaal aan lager wal was geraakt. Priesters draaiden er de kerkelijke rijkdommen door, hielden er een liederlijke levenswandel op na en verwaarloosden zielzorg en liturgie. Chrodegang was vastbesloten: dat moest veranderen! In dat voornemen werd hij voor honderd procent gesteund door de Frankische hofmeier Pepijn de Korte die zijn macht over het hele Frankische rijk wilde laten bevestigen door de paus. Als Stefanus II hem wilde kronen, zou hij ervoor zorgen dat de Romeinse liturgie in heel Frankrijk werd ingevoerd. Zo geschiedde. Romeinse zangmeesters kwamen lesgeven aan de kathedraalschool in Metz en brachten hun zangboeken mee naar het noorden. Omgekeerd gingen Frankische zangers zich bijscholen in Rome. Tegen het jaar 800 - het jaar waarin Karel de Grote gekroond zou worden - was de operatie ongeveer voltooid. Met ijzeren hand had de bisschop de Romeinse liturgie ingevoerd tot in de kleinste, meest afgelegen parochie van Frankrijk. Het gallicaans werd afgeschaft en - sterker nog - Metz werd de ware behoeder van de Romeinse liturgie, want in Rome zelf was die intussen behoorlijk in verval geraakt. De Romeinse erfenis was dus op het nippertje gered en dankzij een rigoureus kerkelijk én wereldlijk beleid veilig gesteld voor de toekomst. Althans, dat was de bedoeling. Maar dat was buiten de waard gerekend en vooral buiten de Germaanse pathos die zich in die wezensvreemde melodiek niet goed in zijn vel voelde. De oude gallicaanse melodieën raakten niet vergeten, niet in het minst omdat die veel beter aansloten bij de Germaanse volksaard dan de verfijnde Romeinse gezangen. Ze raakten dus met elkaar vermengd, iets wat zelfs de Romeinse deken Johannes Diaconus rond 880 op papier zou zetten in een geschrift waarin hij overigens geen hoge pet op heeft van de Gallische zangers. Die componeerden er intussen ook zelf lustig op los en leefden zich uit in een vuurwerk van sequenties, tropen en liturgische drama's. In het huidige gregoriaans is er van het gallicaans dus zo goed als niets meer terug te vinden. Of toch? Tot voor kort beschikten we enkel over buitenmuzikale criteria om te bepalen of een gezang al dan niet gallicaans is. De Nederlandse onderzoeker Fred Schneyderberg zoekt echter al jarenlang naar criteria op basis van het muzikale materiaal zelf. Door zorgvuldige bestudering van dat materiaal (o.a. via computeranalyse van de melodieën waarbij hij verderbouwde op het werk van de Deen Finn Egeland Hansen) heeft hij getracht te achterhalen hoe gallicaans geklonken kan hebben. Hoewel je dat natuurlijk nooit helemaal zeker kunt weten, is het toch verbluffend wat voor een consistent verhaal Schneyderberg daarbij wel ontdekt heeft. Deze cd is volledig op zijn studiewerk gebaseerd. De eerste dertien nummers maken je vertrouwd met de gallicaanse tonaliteit eventueel met Byzantijnse invloeden of in mengvorm met andere tonaliteiten. Een tweede deel laat je kennismaken met de conjuncte tetrachord tonaliteit, noem het maar een tussenvorm tussen gallicaans en gregoriaans (voor een technische uiteenzetting kun je terecht in het Cahier 2000 van het Tijdschrift voor Gregoriaans met als titel Tonale analyse met een Middeleeuws model). Op het einde van de cd krijg je ook nog twee pure gregoriaanse melodieën te horen. Bijzonder boeiend is het bijvoorbeeld de drie versies van het Gloria na elkaar te beluisteren, respectievelijk de gallicaanse (track 1), de conjuncte (track 14) en de gregoriaanse (track 27). Wie na al deze theoretische uitweidingen bang zou zijn een puur didactische cd te kopen, kan op beide oren slapen. De Schola Trunchiniensis is het koor van het Centrum Gregoriaans te Drongen en bestaat uit zes professioneel geschoolde zangers die zich al geruime tijd in gregoriaanse gezangen bekwamen. Ze staan onder leiding van Frans Mariman, dé autoriteit in Vlaanderen wat betreft de muzikale interpretatie van het gregoriaans. Op deze cd laat hij ons niet alleen kennismaken met een volslagen onbekend repertoire dat nauw aan het gregoriaans is verwant, maar laat hij ons ook genieten van schitterend uitgevoerde, levende muziek. Of de gezangen die je op deze cd hoort nu echt klinken zoals het gallicaans in Franse kerken rond 750 moeten geklonken hebben, zullen we natuurlijk nooit weten. Maar met een gedreven wetenschappelijke benadering en een grote dosis gezond muzikaal verstand zijn Schneyderberg en Mariman erin geslaagd een wel heel bijzondere cd te presenteren. (Toch een kleine technische bemerking: op deze cd staan 75 minuten muziek. Daarmee flirt dit product met de technische grenzen van de cd. Ik heb deze cd op zes verschillende cd-spelers trachten te beluisteren. Twee daarvan - weliswaar iets oudere - konden de cd niet afspelen.) Willy Schuyesmans - 28 mei 2003 |