
Door de eeuwen heen is de manier waarop men notenbeelden noteerde, sterk gewijzigd. De notatie, waarmee men overigens pas sinds de tiende eeuw een aanvang maakte, bestond eerst uit simpele accenten, streepjes en krulletjes boven de tekst. Die gaven - zo heeft men pas deze eeuw ontdekt - op een bijzonder precieze manier het ritme van het gezang aan. De toonhoogte kon men er niet mee aangeven, maar dat hoefde ook niet in een tijd dat de zangers het hele repertoire uit het hoofd kenden. Beginnend met die vroegste neumen zoals die in Sankt Gallen of Metz werden geschreven, tot de modernste varianten zoals de Lagal-notatie of de Fluxus-notatie heeft het opschrijven van gregoriaanse muziek een hele evolutie doorgemaakt.
¶De ontwikkeling van neum tot noot kan men heel makkelijk volgen in de handschriften aan de hand van hetzelfde fragment uit het offertorium Illumina van de tiende zondag door het jaar. Vanaf de tiende eeuw vinden we adiastematische manuscripten, waarbij de neumen dus niet de minste aanduiding van toonhoogte aangeven, zoals in het handschrift Mont Renaud uit Noyon.
Enige aanwijzing van toonhoogte vinden we al wel in Laon 239 uit Metz omstreeks 930
en Chartres 47
In Einsiedeln 121 uit Sankt Gallen uit 970 geven toegevoegde letters al een betere aanduiding
en in Benevento 33 is de overgang naar diastematische handschriften al duidelijk te zien.
Bij de eerste echte diastematische, zoals in Paris B.N. 776 uit Albi dat voor 1079 ontstond, staan de neumen nog in het vrije veld.
Later werden ze rond één lijn geplaatst, zoals in Paris B.N. 903 uit Saint Yrieix.
Einde 11de, begin 12de eeuw vinden we in Benevento 34 voor het eerst C- en F-sleutels die de ligging van de halve tonen aangeven.
In Graz 807 zien we zelfs twee lijnen met vier sleutels.
Heel bijzonder is het handschrift Montpellier H159 met een dubbele notatie van neumen en notenletters.
Intussen is het verval ingetreden en wat dat heeft aangericht zien we in de Editio Tournay van Clemens VIII uit 1620.
De Pustet-editie of Neo-Medicea uit 1871 liet van de subtiliteit van het Gregoriaans niets meer over, maar kreeg desalniettemin pauselijke aanbevelingen en een drukprivilege voor 30 jaar.
Dom Pothier reageert daarop in 1883 met zijn Liber Gradualis, waarin vooral de gedrukte afstanden tussen de notengroepen, gebaseerd op het neumenonderzoek, opvallen.
In 1908 ziet de Editio Vaticana van het Graduale het licht, die vooral het werk is van Dom Pothier. Hoewel het wetenschappelijk onderzoek inmiddels al heel wat verder staat, blijven noten, groepen en deelstrepen uit dit Graduale nog tot op vandaag officieel voorschrift van Rome en ze werden dan ook ongewijzigd overgenomen in het moderne Graduale Romanum uit 1974.
(Muziekvoorbeelden overgenomen uit: Fred Schneyderberg, Cursus Gregoriaans deel II, 1987)