Gregoriaans is voor alles tekst. Het is ontstaan uit het voorlezen van liturgische teksten. Toen de groepen toehoorders groter werden, ging men deze teksten luidop reciteren. Ze werden met een soort zangstem op één toon gezongen. Dat kwam weliswaar de verstaanbaarheid ten goede, maar de aandacht verslapte snel vanwege de eentonigheid. Om dat probleem op te lossen, gingen creatieve voorlezers al gauw accenten leggen. Precies op die plaatsen waar je ook bij het gewone voorlezen je stem verheft, zongen zij een nootje hoger. Of ze zongen de eindnoot wat lager, net zoals je stem daalt op het einde van een zin. Hoe dat ongeveer moet geklonken hebben, hoor je nog heel goed in de simpele gereciteerde formules zoals Dóminus vobíscum. Et cum spíritu tuo.
¶Al gauw werden er meer versieringen aangebracht. Belangrijke lettergrepen kregen een klein fantasietje, en het einde van een zin - de cadens - werd mooi neergelegd. Je hoort die prachtige eeuwenoude oervormen nog altijd in lezingen (epistel, evangelie), prefatietonen, gezongen passieverhalen, het eucharistisch gebed, het Pater noster, gezongen litanieën, het ordinarium van de dodenmis en natuurlijk ook in vele gezangen van het dagelijks officie.
Maar het volk vroeg meer en goede zangers wilden tonen wat ze in hun mars hadden. Geleidelijk aan ontwikkelden de eenvoudige reciteertonen zich tot ingewikkelder melodieën. Op de duur ging men wel twintig of meer noten op één lettergreep zingen, de zogenaamde melismen. Zo ontwikkelde voorlezen zich tot een zeer rijke muziek, waarvan sommige stukken alleen nog door geschoolde en goed geoefende stemmen gezongen konden worden.
Ondanks deze ontwikkelingen, blijft gregoriaans, hoe rijk versierd de melodie ook mag zijn, altijd tekstmuziek. De verstaanbaarheid is de eerste vereiste. Woorden, zinnen en zinsdelen vormen een geheel en moeten ook als zodanig gezongen worden. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld polyfone muziek, waar de muziek primeert en de tekst vaak niet meer dan een aanleiding tot componeren is.
¶Dat heeft een aantal gevolgen voor de uitvoering van het gregoriaans. Gregoriaans is als het ware opgegroeid samen met het Latijn. Er zijn in het gregoriaans enkele Griekse gezangen (waarvan het Kýrie eléison het bekendste is, maar er is ook nog het Hágios o Theós uit de Improperia van Goede Vrijdag), maar normaal gezien is Latijn de voertaal bij het gregoriaans. Kerklatijn, welteverstaan, of middeleeuws Latijn, dat vooral in uitspraak, maar ook op andere gebieden wel eens verschilt van het klassieke Latijn. Juist omdat de tekst primeert, is het heel belangrijk dat de zangers begrijpen wat ze zingen.
Gregoriaans wordt a capella gezongen, dus zonder instrumentale begeleiding, ook niet op orgel. Bij gregoriaanse volkszang wordt daar wel eens van afgeweken, maar een koor hoort zonder begeleiding te zingen. Gregoriaans is ook puur monofone muziek, een-tonig dus. Hoewel lang niet iedereen het daarmee eens is, hoort gregoriaans dus ook niet in octaven gezongen te worden. Met andere woorden: niet met een gemengd koor. Zowel vrouwenschola's als mannenschola's kunnen perfect gregoriaans uitvoeren, maar niet samen. Wat natuurlijk wel kan, is dat men mannen en vrouwen om beurten laat zingen, bijvoorbeeld de verzen van een psalm.
Samengevat kun je dus stellen dat de tekst de basis is van elk gregoriaans gezang. Wie gregoriaans wil zingen, zal dus beginnen met de tekst te lezen, deze te verstaan en de verbanden tussen de zinsdelen te begrijpen. Pas dan kan je met de muziek beginnen.