| |
Van antifoon tot sequentie: ontwikkeling van genres en vormen in het Gregoriaans. Kooratelier Frater Kees Pouderoijen OSB
Gregoriaans is de oudste overlevende muziek van de Europese beschaving. Als de functionele muziek van de Latijnse christelijke ritus was het gregoriaans - in de eerste eeuwen van zijn bestaan - pure vocale muziek die de teksten van de liturgie omvatte. Zo bekeken maakt het gregoriaans deel uit van de rijke traditie van oude muziekrepertoires die de religieuze riten, zoals andere christelijke, joodse en Arabische repertoires, maar ook Indische, Chinese, Japanse, Tibetaanse en andere Aziatische vocale tradities. Deze vocale repertoires hebben zekere stilistische trekjes gemeen die wortelen in het orale karakter van de rituele vocale kunst. Geheugen was bijvoorbeeld van primordiaal belang. De orale traditie was de enige mogelijke weg voor muzikale overerving. Het repertoire groeide beetje bij beetje. Maar het geheugen heeft zijn beperkingen. Stereotype formules werden dus vaak gebruikt en herhaald, zoals tegeltjes in een vloer, en werden telkens weer in andere patronen gecombineerd. Een lang stuk tekst werd vaak gereciteerd of gezongen op een min of meer stabiele toonhoogte of interval (recitatietoon). Toch vind je al deze repertoires kleine vocale versieringen zoals glissando's en trillers.
De christelijke religie heeft - sinds zijn ontstaan - een dergelijke manier van ritueel gezang ontwikkeld, waarbij joodse wortels aanwezig kunnen geweest zijn, al is dat niet helemaal duidelijk. Bovendien viel de christelijke vocale cultuur uiteen in locale repertoires, net zoals de christenheid zelf wortelde in verschillende gebieden rond de Middellandse zee. Zelfs binnen de Latijnse kerk ontstonden tussen de vierde en de achtste eeuw afzonderlijke repertoires zoals de Milanese, de Romeinse en de Beneventijnse in Noord-, Midden- en Zuid-Italië; maar evengoed ook Galllicaanse, Spaanse, Keltische en Noord-Afrikaanse repertoires.
Zo bekeken is het gregoriaans een laatkomertje. Zijn structuur werd uitgetekend tussen 750 en 800 als een Gallicaanse aanpassing van het Romeinse repertoire. In feite gebeurde dat op bevel van de Karolingische heersers die militaire ondersteuning boden aan de paus in Rome om het Romeinse culturele erfgoed te beschermen. Dat zette de Karolingers ertoe aan een gecentraliseerde politiek te voeren over de gebieden onder hun heerschappij. Dat leidde in één moeite tot de verspreiding van het gregoriaans over heel Europa. Het verklaart ook de unieke positie die het gregoriaans inneemt als eerste West-Europese muziek waarvan alle andere muziekvormen in Europa afstammen.
De universele verspreiding van een vast repertoire leidde al gauw tot de noodzaak om het vast te leggen. De eerste pogingen tot het ontwikkelen van een muzieknotatie dateren van de helft van de negende eeuw. Sindsdien heeft Europa een ononderbroken traditie van muzieknotatie gehad. Dat maakt het ons mogelijk in deze eeuw moeizaam de betekenis van deze oudste notaties te reconstrueren en te interpreteren. De studie van de interpretatie van de neumen noemen we gregoriaanse semiologie. De meer gespecialiseerde schola's trachten deze wetenschap te gebruiken om een zo authentiek mogelijke muzikale interpretatie aan hun gezangen te geven. Bovendien blijkt nu dat de oudste notaties in de eerste plaats getracht hebben de relatie van de melodie tot de tekst - doorgaans afkomstig uit de Bijbel - zo gedetailleerd mogelijk vast te leggen. Geen enkele andere Europese vocale traditie geeft zulke voorrang aan de tekst als het gregoriaans. Ik zou zelfs durven zeggen dat je geen subtielere interpretatie van bijbelse teksten kunt vinden dan juist in deze Latijnse gezangen die vastgelegd werden op de overgang van de christelijke oudheid naar de vroege Middeleeuwen.
Tijdens deze workshop over het gregoriaans geef ik samen met de zangers een overzicht van deze gezangen van hun meest simpele tot hun meest complexe vorm: van antifoon tot sequentie. In feite is het 'refrein' (antifoon) op zich niet de oudste en meest primitieve vorm, maar wel de solozang of 'cantillatie', die begeleid werd door een refrein. Deze 'cantillatie' werd de 'lector' (later 'cantor' of zanger) aangepast aan de bijbelse tekst. Het reciteren gebeurde op een enkele toon die, in een min of meer gestileerde vorm, versierd werd door af en toe een paar noten rond die toon te groeperen, waarmee eigenlijk een muzikaal accent werd gelegd op de tekst. De lector of cantor zong solo. Het volk luisterde in stilte en kwam niet tussenbeide. Van dit 'refreinloos' gezang - de zogenaamde 'Psalmodia in directum' - heeft het gregoriaans zowel heel simpele als heel complexe voorbeelden. De belangrijkste karakteristiek van deze muzikale tekstvoordracht is het ontbreken van de muzikale toonschaal. Die duikt pas later op wanneer de versieringen uitgebreider en meer gestileerd worden. Dat leidt ten slotte - onder Syrische invloed - tot acht kerktonen of modi waarin gereciteerd wordt. Pas veel later - in laatmiddeleeuwse sologezangen - werden melodieën gecomponeerd met verticaal geconstrueerde toonschalen. De melodieën van Hildegard von Bingen zijn overigens maar een van de vele voorbeelden die je hiervoor zou kunnen aanhalen.
Toen het volk de lector of de cantor ging onderbreken met loftuitingen of beamingen (zoals je dat nu nog kunt horen in de Amerikaanse Gospelkerken) en toen men bovendien die onderbroken ging stileren, was het refrein geboren. In het gregoriaans kregen die refreinen verschillende namen: responsorium, antifoon of invitatorium. Ze kregen hun vormtaal van de psalmodie of 'cantillatie' die ze begeleidden. Toch ontwikkelden zich op een bepaald moment ook onafhankelijke melodieën die, na verloop van tijd, uitgroeiden tot aria-achtige muziekstukjes die hun oorspronkelijke psalmodie lieten vallen en zich tot alleenstaande stukken muziek ontwikkelden.
Toen het hoogtepunt van het gregoriaans voorbij was - zeg maar omstreeks het midden van de negende eeuw - ontstond een nieuw fenomeen. Zangers die zich ongelukkig voelden bij dat al te strakke, voorgeschreven repertoire, zochten naar nieuwe vormen om hun creatieve energie kwijt te raken zonder het gezang zelf te veranderen. Op melismatische passages (waar veel noten boven één lettergreep staan) gingen ze nieuwe teksten zingen: de 'prosulae'. Die groeiden dan weer uit tot onafhankelijke muzikale vormen - vooral deze die verband hielden met de Alleluia's van de mis - en ontwikkelden zich tot de 'sequentie'. Nog een andere manier bestond erin nieuwe tekst te weven tussen bestaande melodieën: de zogenaamde 'tropen'. Die werden in Europa gecomponeerd tot in de late Middeleeuwen. Ten slotte werden ook nieuwe melodieën gecomponeerd die tegelijkertijd met een vastgelegd gregoriaans gezang werden uitgevoerd. Zo ontstond de polyfonie, het meest opmerkelijke feit in een meer dan duizend jaar oude muzikale traditie in West-Europa tot Bach.
Fr. Kees Pouderoijen OSB, Vaals.
|